BACH - Dulcken project

Evangelische Kirche Wingeshausen

Johannes Daniël Dulcken wordt op 21 april 1706 geboren in Wingeshausen, Grafschaft Berleburg (D), in het gezin van George Ludwig Dülcken (geb.1679) en Margarete Dülcken (geb. 1684).

foto Dr. Johannes Burkardt

Taufeintrag von Johann Daniel Dülcken - transcriptie Dr. Johannes Burkardt 

Eodem Ich Georg Ludwig Dülcken einen
Jungen sohn tauffen laßen, gevatter:
mein Schwager Johan Daniel Eberhardi
Inspector zu Siegen
mein Bruder Johan Leopold Dülcken, Prae=
ceptore 4 et 3ter Classis in Bremen
mein schwester Anna Catharina.
Ist genant
Johan[n] Daniel.

fotograaf Albert Ludolf 1894.

In 1705 verhuisde de in Berleburg geboren predikant Georg Ludwig Dülcken – zoon van de Berleburger predikant Eberhard Dülcken en Maria Leehr – naar Wingeshausen. De familie Dülcken kwam in een een pfarrerhaus gebouwd in 1705 door bouwmeester Riedesel te wonen. De oude pastorie stond negentig jaar in Wingeshausen en werd in 1709 afgebroken en verkocht aan Diedenshausen. Het Diele Haus staat daar nog steeds in Diedenshausen.

Diedenshausen


De geestelijke gaf daar in 1724 opdracht voor de bouw van het eerste orgel door orgelbouwer Johann Caspar Kirchner.

Rekening voor het Casper Kirchner orgel - transcriptie Dr. Johannes Burkardt

 

Der Orgellmacher Caspar Kirchner Hat empfangen laut dem mit Ihm gemachten Vergleich, samt sei=Den Gesellen 228 r[eichs]th[a]l[e]r, tut

Vermöge Accords u[nd] quitt[ung] vom 14 t[en] may 1725, so H[err] Dülck[en] hatt.

Van de zonen van de dominee van Wingeshausen waren het Johann Daniel en Carl Wilhelm Dülcken die al snel ook als instrumentenbouwers aan de slag gingen. In 1771 wordt er in de Gazette van Gend een clavecimbel door J.D. Dulcken gebouwd aangeboden.

"Ten Sterfhuyze van d'Heer Joseph de Jonghe, overleden Bailliu binnen de Stad van Dixmuyde, is er te koopen uyt'er hand eene zeer schoone Clavecine gemaekt door J. D. DULCKEN in het jaer 1723, lang acht voeten, bestaende in dry Registers, te weten: twee Unisons, ende eene Octave; zynde van onder tot boven zeer sterk ende aengenaem, het Clawier is van vyf volle Octaven, beginnende van onder met Fa, ende eyndigende boven met den zelven Toon, het Clawier is ook konstig ende kostelyk, de platte Тооnеn zwart, ende de Deesen met de Bemols wit, de Kasse, gereserveert de Tafel om de resonnantie niet te beletten, zeer schoon geschilderd ende verguld, met eene Schilderye in het Deksel om de Tafel te conserveren voor alle nattigheyd. Item aldaer noch te koopen een goed en wel geconditioneerd Orgelken, zeer bequaem om in eene kleyne Kerke, ofte in een Concert. Die пае de zelve twee musicale Instrumenten gadinge hebben, konnen hun adresseren aen d'Heer Antbone Peellaert, Oud-Schepenen tot het voorzeyd Dixmuyde." Gazette van Gend, Waerschouwingen, 31/01/1771

Het spreekt voor zich dat de gebroeders Dülcken ook aan het orgel in hun geboorteplaats Wingeshausen werkten. Voor het huidige orgelonderzoek heeft dit als nadeel dat er geen officiële plannen en aanvragen zijn ingediend, omdat alles direct binnen de familie kon worden geregeld. Vanuit hedendaags perspectief is de orgelgeschiedenis van Wingeshausen in de 18e eeuw dan ook helaas erg vaag. In latere verslagen staat dat de gebroeders Dülcken het orgel van Wingeshausen zelf zouden hebben gebouwd. Vanuit hedendaags perspectief kunnen we dat niet meer bevestigen. Misschien hebben ze alleen maar actief meegeholpen bij de bouw van het orgel door Kirchner in 1724 en hebben ze in de daaropvolgende jaren voor het onderhoud van het orgel gezorgd. Na het vertrek van Johann Daniel Dülcken naar Maastricht 1734 lijkt het orgel echter niet meer in zo'n goede staat te zijn geweest, aangezien er in de daaropvolgende decennia herhaaldelijk klachten waren over de slechte staat van het instrument. In oktober 1724 werden pastoor Georg Ludwig Dülcken uit Wingeshausen en organist Johann Conrad Diehl uit Netphen naar Heinsberg geroepen om het orgel te inspecteren en de gebreken vast te stellen.

Terwijl Carl Wilhelm Dülcken zijn hele leven in Berleburg woonde en daar in 1756 overleed, ging zijn broer Johann Daniel in 1734 naar Maastricht en in 1737/1738 naar Antwerpen. 

In een enquête van het superintendentuur 1823 geeft de pastoor van Wingeshausen aan dat er een orgel met 1 klavier en pedaal met 14 registers aanwezig is. Hij schrijft hierover:
"Eberhard Dülken, de hier overleden pastoor, zou in 1733 de pijpen hebben gegoten en een bouwer genaamd Schulze uit Becker-Haus zou het timmerwerk hebben verricht. Het orgel verkeert nu in slechte staat en heeft een ingrijpende reparatie nodig. Het is tot nu toe gerepareerd door verschillende orgelbouwers, wier namen echter niet meer bekend zijn, en het geld is bij gebrek aan fondsen door de inwoners ingezameld." * (Eberhard Dülken was al overleden in 1699 dus de pastoor bedoelde George Ludwig Dülcken)

1823 - Eberhard Dülken, dahier verstorbener Pfarrer, soll im Jahr 1733 die Pfeifen gegossen…..
Orgel fotograaf Albert Ludorff 1894 - rekening foto Dr Johannes Burkhardt

Complete


-1823: Auf eine Umfrage der Superintendentur hin gibt der Wingeshäuser Pfarrer an, es sei eine Orgel mit 1 „Claviatur“ und Pedal mit 14 Registern vorhanden. Dazu schreibt er:
„Eberhard Dülken, dahier verstorbener Pfarrer, soll im Jahr 1733 die Pfeifen gegossen, und ein Bauer namens Schulze aus Becker-Haus von hier die Schreinerarbeit verfertiget haben. Sie ist jetzt in einem schlechten Zustande, und bedarf einer bedeutenden Reparatur. Von mehreren Orgelbauern, deren Namen aber nicht mehr bekannt sind, wurde sie bisher reparirt, und das Geld, aus Mangel an Fonds, von den Einwohnern erhoben.“ (Archiv des Ev. Kirchenkreises Wittgenstein, Generalakten der Superintendentur 143).

transcriptie Dr. Johannes Burkardt

Compleet
Foto & transcriptie Dr. Johannes Burkardt


„Herr Görg Ludwig Dülcken, bisheriger Pfarrer zu Wingeshausen, ist d[en]
21t[en] Augusti verstorben und d[en] 24t[en] ej[us]d[em] 1752 daselbst in die Kirch
begraben worden, nachdem er von 1705 an daselbst gestanden.“

Op 17 dec. 1733 trouwt Johann Daniel in Sankt Goar met Susanne Maria Knopffllin ( Knopffel). (ged. 11 sept. 1706).


1.
Doop van Susanna Maria Knöpffel, dochter van Johann Conrad Knöpffel, Proviant-Commissair en Stift-Kellner in St. Goar, op 11 september 1706 
(Archiv der Evangelischen Kirche im Rheinland, Boppard, KB 149/1 (St. Goar ref.), p. 149.)

Taufeintrag Susanna Maria Knöpfel - transcriptie Dr. Johannes Burkardt
Compleet


Den 11 t[en] [Novem]bris wurde Don[n]erstag Nachmittags zwisch[en] 12 u[nd] 1 Uhren
nach gehaltener
Beth=Stunde in öffentl[icher] Versam[m]lung getaufft Susanna Maria,
H[errn] Johann Conrad Knöpffels, Proviant-Com[m]issarii u[nd] Stiffts=
Kellners allhier Töchterlein. Gevattern waren Herr Oswald
Wollff, Nachgänger am hiesigen Hoch=Fürstl[ichen] Gesam[m]t-Rhein=
Zoll, u[nd] Fr[au] Maria Barbara, H[errn] Samuel Kellers, Stadt=
Lieutenants allhier ehel[iche] Hauß-Frau, wie auch H[errn] Pfarrers Geissel
Fr[au] Eheliebste von Wollroda
des H[errn] Vatters Schwester.*

* Die letzten 12 Wörter mit blasserer Tinte später nachgetragen.

Conrad Knöpfel, geboren in Wolfershausen in 1662, ingeschreven aan de universiteit van Marburg in 1680, werd provisiecommissaris in het Hessische fort Rheinfels bij St. Goar. 
Conrad Knöpfel trouwde Regina Magdalena Dirx op 29. April 1695. Conrad Knöpfel stierf voor 1721.

Archiv der Evangelischen Kirche im Rheinland, Boppard - Heirat von Conrad Knöpfel und Regina Magdalena Dirx am 29. April 1695 (KB 149/1, S. 255)

Klik op de video hierboven met onderwerp;

geboorte Susanne Maria Knöpffel te Sankt Goar en Vesting Rheinfells

 

Een huwelijk in de schaduw van de oorlog — Sankt Goar, advent 1733

Op woensdag 16 december 1733, midden in de adventstijd, tekenden Johann Daniel Dülcken en Susanna Maria Knöpffel het huwelijksregister van de evangelische gemeente te Sankt Goar. Het was geen alledaags moment om te trouwen — de advent was in de lutherse en gereformeerde traditie een tijd van inkeer, geen gangbaar seizoen voor bruiloften. Wie de gebeurtenissen van die herfst naast elkaar legt, gaat vermoeden dat het tijdstip geen toeval was.

 

Een vesting in de frontlinie

Sankt Goar en de vesting Rheinfels lagen al generaties lang op een gevoelige plek: de grens van het Rijk tegen Frankrijk. Nog geen twee maanden vóór het huwelijk, op 10 oktober 1733, was de Poolse Successieoorlog uitgebroken — een conflict dat ogenschijnlijk over de Poolse troon ging, maar zich grotendeels afspeelde in het Rijnland. Fransen belegerden Kehl en bezetten het hertogdom Lotharingen; een jaar later, in 1734, zouden Hessen-Kasselse troepen Rheinfels zelf met keizerlijke toestemming bezetten uit vrees voor diezelfde Franse dreiging.

Voor de familie Knöpffel was dit geen abstract nieuws. Susanna's vader, Johann Conrad Knöpffel, was tot aan zijn dood Proviant-Commissair en Stift-Kellner op St Goar/Rheinfels geweest — een functie die letterlijk bestond bij de gratie van een vesting die bevoorraad moest worden, oorlog of geen oorlog. Oorlogsdreiging betekende voor dat beroep meer werk, meer vraag, meer belang.

Voor Susanna's aanstaande man gold het tegenovergestelde. Johann Daniel Dülcken, zoon van de predikant van Wingeshausen, bouwde klavecimbels — instrumenten voor welgestelde huishoudens in vredestijd, geen koopwaar waar iemand naar omkijkt zodra er troepen door de Rijnvallei trekken. Een dreigende oorlog was voor hem geen zakelijke kans, maar een reden om te vertrekken.

 

Trouwen om te kunnen vluchten

Het huwelijk in de advent — buiten het gebruikelijke seizoen, kort na het uitbreken van de oorlog — past bij een paar dat haast had. Een huwelijk regelde niet alleen de liefde, maar ook het vermogen: het maakte een gezamenlijk vertrek mogelijk, met de zegen en de papieren die een jong gezin nodig had om zich elders te vestigen.

En vertrekken deden ze. Daniel duikt op in Maastricht, waar hij met Susanna een winkel drijft in een pand aan de Munt, "Het Gulde Cruijs" — officieel een grutterij, maar de boedelinventaris na het faillissement laat een bredere handel zien: vaten, dozen, oliekuipen, vaten met tabak, en zelfs twee snaarloze violen en een trompet. Zij, dochter van een vesting-provianteur, verruilde de wereld van haar vader voor een eigen winkelzaak — met een sortiment dat wel iets weg heeft van de proviandering die ze van huis uit kende. Het is een understatement om te zeggen dat het geen vanzelfsprekende stap was — en het liep niet goed af. In 1737 leende Daniel geld van de weduwe van de burgemeester; de schulden liepen op, en rond de jaarwisseling van 1737/38 verliet het gezin Maastricht met achterlating van een groot deel van de inboedel. De Maastrichtse magistraat verklaarde de boedel "desolaat" en stelde een curator aan; tot in 1740 kreeg Daniel nog brieven van schuldeisers achterna.

 

De wending in Antwerpen

Wat in Maastricht mislukte, lukte in Antwerpen. Het jonge gezin — hun zoon Johannes Lodewijk was nog geen drie jaar oud — vestigde zich er in armoede, maar Daniel nam al zijn klavecimbelbouw-gereedschap mee de stad in. Hij sloot zich aan bij de clandestiene gereformeerde gemeente, werd er in 1744 ouderling, en bouwde aan de Hopland de instrumenten die hem tot een van de meest gerenommeerde clavecimbelbouwers van de achttiende eeuw zouden maken — met een reputatie die volgens tijdgenoot Charles Burney alleen onderdeed voor de legendarische familie Ruckers.

 

Een verhaal in twee tempo’s

Het contrast: een vesting die zich bewapent terwijl een jong stel er juist vandoor gaat; een winkel die faalt terwijl een ambacht standhoudt; een schuldenlast die een gezin achtervolgt tot het uiteindelijk, in een andere stad, alsnog succes vindt. De geschiedenis van Rheinfels — de eeuwenlange twist tussen de Rotenburg- en Wanfried-linies, de soevereiniteit van Hessen-Kassel, de herhaalde Franse dreiging — vormt niet slechts decor. Ze is de reden waarom dit huwelijk plaatsvond wanneer het plaatsvond, en waarom een dochter van een proviant-commissaris uiteindelijk de stammoeder werd van een klavecimbelbouwersdynastie ver van de Rijn.

 

Burg Rheinfels bij St. Goar


2.
Huwelijk van de koopman en handelaar Johann Daniel Dülcken, zoon van de predikant Dülcken zu Wingeshausen in het graafschap Berleburg, met Susanna Maria Knüpfelin, dochter van de overleden Proviant-Commissair en Stift-Kellner Johann Conrad Knüpfel, op 17 december 1733
(Voor de huwelijksinschrijving van 1733 staat er: Archiv der Evangelischen Kirche im Rheinland, Boppard, KB 149/1 (St. Goar ref.), p. 287.)

2. Heiratseintrag Johann Daniel Dülcken und Susanna Maria Knüpfelin transcriptie Dr. Johannes Burkardt
Compleet


17. [Decem]ber * Sindt H[er]r Johann Daniel Dülcken, Kauff- u[nd] Handels=mann,
H[errn] Pfarrers Dül=
ckens zu Winches=hausen (sic!) in der Graffschafft Berlenburg
Ehel[icher] Sohn, u[nd] J[ung]fer
Susanna Maria Knüpfelin, des weyland H[errn] Johann Conrad Knüpfels
gewesenen proviant=Com[m]issarii u[nd] Stiffts=Kellers allhie,
nachgelasene Ehel[iche]
Tochter, copuliret u[nd] den 23 t[en] augusti hui[us] anni zum
I stenmal p[ro]clamiret word[en].

* Darunter Eintrag mit blasserer Tinte, aber von gleicher Hand: „16. hui[us] de infra. N[ota] B[ene].“

Elements makes building beautiful websites effortless. With powerful drag-and-drop components, you can create stunning web pages without writing code. Start editing this text to bring your ideas to life.

Maastricht

Het jonge paar verhuist rond 1734 naar Maastricht waar hun zoon Johan Lodewijk geboren wordt (ged.15 april 1735). In oktober 1736 verhuizen ze naar een huis gelegen aan De Munt, dat “Het Gulde Cruijs” heet. Het huis ligt tussen ”Het Gulden Hooft” en ”Den Swerten Rave“. Ze huren het huis van Maria Catharina Bijen voor een periode van zes jaar. In dit grote pand runnen Daniël en zijn vrouw een winkel in levensmiddelen, een grutterij. Waarschijnlijk drijft Susanne de winkel terwijl Daniël zijn tijd besteedt aan het bouwen van klavecimbels. In verschillende akten wordt hij koopman genoemd. Daar wordt hun dochter Joanna Henriette geboren. (ged. 10 febr.1737)
Het jonge gezin heeft in Maastricht geldzorgen, de schulden lopen op en rond de jaarwisseling 1737/38 vertrekken ze naar Antwerpen. In “Het Gulde Cruijs” laten ze een gedeelte van de inboedel achter dat door de Magistraat geveild wordt om de schuldeisers tegemoet te komen. Deze stelt Johan Guichard aan als curator over “den desolate boedel van den absenten Jan Daniël Dulcken”. Schuldeisers zijn: zijn neef Gerhart Prescher die hem 300 gulden leende, met zijn broer Jan Christiaan Dulcken als borg, de weduwe van burgemeester Hesselt van Dinter die hem 600 gulden leende, de familie Bijen vanwege een huurachterstand van negen maanden. Ook meldt zich een koopman uit Amsterdam, Gerard Katers die recht heeft op 410 gulden, als kosten van goederen en voor taxatiekosten
Op 20 juni 1738 gaat men “Het Gulden Cruijs” binnen om alle goederen te taxeren. Uit het taxatierapport blijkt dat er veel tafels en stoelen staan. De winkelinventaris bestaat o.a. uit een toonbank, een grote ijzeren balans met zes schalen, tinnen maatbekers en een tabaksmolen. Verder veel vaten, dozen, oliekuipen en vaten met tabak, enz. Ook vindt men twee violen zonder snaren en een trompet. Duidelijk is dat Daniël alles wat te maken heeft met de bouw van klavecimbels meegenomen heeft naar Antwerpen. Alleen een schaafbank blijft achter.
Het jonge gezin verhuist in 1738 in armoedige omstandigheden. De schuldeneisers uit Maastricht zitten hen op de nek. Telkens ontvangen ze brieven van de curator in Maastricht en elke keer moet Daniël deze weer beantwoorden. Dit duurt tot midden 1740. Hoe de schuld is afgelost is niet duidelijk.

Antwerpen

Waarschijnlijk ziet Daniël meer mogelijkheden in Antwerpen dan in Maastricht om zijn klavecimbels te verkopen. Antwerpen begint na een tijdperk van verval weer op te krabbelen en is de plek waar de familie Ruckers haar toonaangevende klavecimbels heeft gebouwd. Het is duidelijk dat Daniël de traditie van deze familie wil voortzetten.

De familie Dulcken voegt zich in 1740 in Antwerpen bij een kleine Gereformeerde Kerk, de Olijfberg, waar Johannes Diepelius voorganger is. In die Rooms-Katholieke omgeving vormt de kerkgemeenschap ’een kerk onder het kruis’ en wordt gedoogd wanneer ze geen aanstoot geven. Dit betekent dat de kleine gemeente op zondagmorgen vaak bijeenkomt bij een van de leden thuis. In de kerk wordt Daniël in 1744 door ds. Diepelius tot ouderling benoemd en geeft daarmee leiding aan het kerkelijk gebeuren, maar tussen de dominee en Daniel botert het niet. Op 26 januari 1740 wordt hun dochter Maria Sofia geboren, op 10 september 1742 hun zoon Joannes.

Waarschijnlijk zijn ze hun schulden snel te bovengekomen. Er zijn aanwijzingen dat dit gebeurt met behulp van de Magistraat die de klavecimbelmaker met zijn unieke klavecimbels als een goede aanvulling ziet voor het bedrijfsleven in Antwerpen. Hij wordt in 1742 lid van het St.-Lucasgilde en krijgt het burgerschap van Antwerpen. Zijn vrouw Susanne verkoopt glaswerk voor een glasblazerij in Ykenvliet. (Advertentie 5 Meert 1756 & 14 Meert 1758) 
In 1743 verkoopt hij een klavecimbel aan de aartsbisschop van Cambrai in Frankrijk. Ze verhuizen op 21 jan.1746 naar Hopland. In dezelfde straat koopt hij later drie huizen. Johannes Daniël Dulcken is een gezien persoon in Antwerpen. Het atelier is gevestigd in Hopland, niet ver van de Jodestraat waar Ruckers eens werkte.

Tijdens de jaarwisseling van 1749 vaart hij met twee klavecimbels naar Londen en verkoopt ze daar voor 50 sterling. 

Verthoont reverentelijck Jan daniel Dulcken, ingesetenen deser stad hoe hij ten verleden jaer 1749 is afgevaren van Ostende naar Londen in Engeland bij zigh hebbende twee clavesimbels uit het maken van welcke hij sigh binnen dese Stadt is geneirende. Dat de vertoonder in geselschap met Walter Schot , woonende binnen deze Stadt van het voorseijt Ostende is afgevaren….. Dat de voorn. Walter Schot op 15 janry 1750 onder onden stick de voorl. twee stucken clavesingers van de verhoorder heeft gecoght voor de somme van vijfftigh pond sterlinghs. (A.S.A. PK 841, Rekwestboek 1750, folio 50 -55.)



Klavecimbels

Dulcken maakt klavecimbels met enkele en dubbele manualen die vaak een bereik hebben van vijf octaven en drie registers: twee 8' en één 4'. Het klankblad decoreert hij met bloemen en zijn initialen kerft hij in de roos. Ongeveer tien klavecimbels van zijn hand zijn overgeleverd. 

Daniel is regelmatig ziek. Op 26 augustus 1751 maken Daniël en een zieke Susanne in hun huis in het Hopland een testament. Hun dochter Johanna Henriette krijgt een diamanten kruis met twaalf stenen, Johannes Lodewijk krijgt hun trouwring. Alle roerende en onroerende goederen worden aan de langstlevende nagelaten. In 1752 ontvangt hij bericht dat zijn vader is overleden.

Op 23 mei 1756 trouwt hun oudste zoon Johannes Lodewijk in Amsterdam met Catharina Koning waar hij in een werkplaats bij het Kathuysers Kerkhof klavecimbels maakt en verkoopt. 
Op 23 februari 1757 laat de zieke Daniël aan zijn testament een bijlage toevoegen waarin wordt vastgelegd dat hij na zijn dood de gereedschappen en instrumenten die nodig zijn om klavecimbels en orgels te maken, niet aan de langstlevende, maar aan zijn zoon Joannes Dulcken nalaat. Joannes moet zijn jongste zuster Joanna Elisabeth (3 februari 1747) onderhouden. Twee weken later, op de tweede paasdag, 11 april, overlijdt Daniël, Joannes is dan 14 jaar oud. Daniel wordt begraven op de begraafplaats Putte

Gedaan, 25 januari 1764


Weduwe Dulcken en haar zoon Joannes zetten het bedrijf voort, maar in Antwerpen lopen de zaken slecht. Suzanne verkoopt ook nog glaswerk. In april 1763 besluiten ze naar Brussel te verhuizen. Daar verkopen ze nu al instrumenten, maar het vervoer ernaartoe is kostbaar en vergt veel tijd. Weduwe Dulcken vraagt de Magistraat van Brussel of ze in Brussel dezelfde rechten kunnen krijgen als in Antwerpen: het burgerschap en vrijstelling van een viertal belastingen. Ze krijgt een negatief antwoord. Brussel kent deze privileges niet en wil geen uitzondering maken voor iemand van buitenaf ook al zegt deze dat ze unieke instrumenten maakt. Tevens betwijfelen ze of de familie Dulcken wel de rechten heeft die ze zeggen te hebben. Susanne Dulcken heeft aangegeven dat de klavecimbels die ze maken de beste zijn die er in de Nederlanden gemaakt worden en dat ze bij de meeste concerten gebruikt worden. Ondanks deze negatieve reactie besluiten ze het huis en bedrijf in Hopland te verkopen en naar Brussel te verhuizen. 
Ondertussen is de oudste dochter, Joanna Henriëtta Dulcken getrouwd met Johann Hermann Faber, een bekende schilder. 
In Brussel lopen de zaken niet zoals gewenst. Er wordt te weinig verkocht waardoor de winkel vol instrumenten blijft. Susanne Dulcken besluit om instrumenten te gaan verkopen in de steden rond Brussel en dient daarom een verzoek in om vrijgesteld te worden van plaatselijke belastingen, om ”haar niet in broodschaarste te laten”. Ze krijgt inderdaad de vrijstelling van de Staten van Brabant om in Antwerpen, Leuven en omringende plaatsen haar instrumenten te mogen verkopen. 

Faillissement

Helaas levert de handel in Brabant ook te weinig op. Tussen 1765 en 1768 gaat het mis en uiteindelijk wordt besloten om het bedrijf op te doeken. Joannes vinden we in 1771 terug in Amsterdam en Susanna gaat naar Hasselt (Overijssel) waar haar oudste zoon Johannes Lodewijk een zaak heeft. 
Susanne wordt in augustus 1769 lid van de Gereformeerde Kerk in Hasselt en gaat bij haar zoon in een statig herenhuis in de Nieuwstraat wonen. In 1776 wanneer haar zoon en gezin naar Antwerpen vertrekken blijft ze achter in een klein huurhuisje. Wanneer ze ondersteuning van de diaconie vraagt, wordt ze als ongewenst vreemdeling de stad uitgezet en verhuist in 1778 (18 april) naar Epe. In 1784 vertrekt ze naar Heerde waar ze op 12 juni 1789 overlijdt. 



KLIK op de video hierboven met onderwerp:

Een Duitse weduwe in een Franse stad: Brussel, 1764

Op 11 april 1757 overleed Johannes Daniel Dülcken in Antwerpen, begraven te Putte, de route die niet-katholieken uit de stad al decennia namen. Hij liet een van de meest gerespecteerde klavecimbelateliers van de Zuidelijke Nederlanden achter. Zijn oudste zoon, Johannes Lodewijk, werkte al zelfstandig in Amsterdam. De tweede zoon, Johannes, was nog te jong om een werkplaats te leiden.

Volgens het testament was Susanna Maria Knöpffel, dochter van een vesting-provianteur uit Sankt Goar, "gejustitueerde erfgename". Zij hield de werkplaats draaiende tot haar zoon oud genoeg was. Toch reisde ze nog geen vier maanden na Daniels dood naar Amsterdam voor de doop van haar eerste kleinkind. Familie en zaak waren voor haar nauw verweven.

De verkoop in Antwerpen liep terug, en Susanna keek naar Brussel. Daar wilde ze het atelier voortzetten met haar schoonzoon Jean Herman Faber, getrouwd met haar oudste dochter Joanna Henriette en opgeleid bij de Antwerpse schilder Joannes Josephus Horemans II. Brussel wees haar eerste verzoek af. Na aanhoudend aandringen kreeg ze de vergunning, en in 1764 vertrok ze met Johannes en twee dochters.

Datzelfde jaar schilderde Horemans een muzikaal familietafereel, nu in het Snijders&Rockoxhuis in Antwerpen. We zien twee dochters, Johannes op de cello, de jongste dochter in het midden en Faber op de achtergrond. Op het klavecimbel is "DUL[...] 1764" te lezen, vrijwel zeker het instrument dat Johannes Daniel bouwde. De flessen op het doek wijzen mogelijk naar Susanna’s handel in glaswerk. Het lijkt een portret van het gezin rond het vertrek.

Brussel was het hof van Karel van Lotharingen, doordrenkt van Franse smaak. Voor een Duitse vrouw van in de vijftig, geboren aan de Rijn en gewend aan de Vlaams-Duitse wereld van Antwerpen en Maastricht, was dat een andere culturele huid. Net als het adventhuwelijk van 1733 is dit een moment waarop persoonlijke noodzaak en historische stroming samenvallen.

Ook Brussel liep op niets uit. Susanna trok in bij haar zoon in Hasselt ( Overijssel), Johannes vertrok later naar Amsterdam en Den Haag, en Faber bleef als schilder in Antwerpen.

 

Voor de film

 

Dit is de scène waarin de klaveciniste speelt onder het schilderij van Horemans, dat in de film boven het Dulcken-klavecimbel hangt dat ze bespeelt. Alleen haar kleding is identiek aan die van het meisje op het doek — verder is zij niet dezelfde leeftijd en niet bedoeld als diezelfde persoon; de kledij is een visueel echo-effect, geen personage-gelijkstelling. De muziek is Bachs Franse Suite nr. 6: niet toevallig Frans van titel, gespeeld door een Duitse vrouw, in een stad die zelf tussen twee culturen in balanceerde. Zoals Weiss ooit meereisde naar een hof in oorlogstijd, en zoals een advent-huwelijk een vlucht voor oorlogsdreiging verhulde, verhult dit schilderij een vertrek: een familie, net op tijd gevangen op het doek, op het punt een nieuw hoofdstuk te beginnen in een stad die niet de hunne was — en die het, zoals achteraf blijkt, ook niet zou blijven.

 

Papieren raakende de zaak van Ds Dipelius. Prediki te Antwerpen 1774. welke moeten worden opgebragt in de Synod: Kast. 

Papers concerning the case of Rev. Dipelius, Preacher at Antwerp 1774, which must be deposited into the Synodal Chest. 

Papiere, betreffend die Angelegenheit des Pfarrers Dipelius, Prediger zu Antwerpen 1774, welche in die Synodalkasse/Synodalschrank eingebracht werden müssen.

Modern Nederlands: "In Artikel 12 hebben de Gedeputeerden besloten om vooralsnog van deze latere feiten (postfacta) en de daarin genoemde brieven, getuigschriften (attestaties) en verklaringen (declaratoiren) niets officieel in de registers/boeken op te nemen. In plaats daarvan moeten al deze stukken bij elkaar in een enveloppe worden bewaard in de lade van het kleine kastje van de Gedeputeerden. Dit is opgetekend aan het begin van de akten van de Buitengewone Coetus (kerkelijke vergadering) die begon op 12 september 1774."

Epe Nederlands

KLIK op video hierboven met onderwerp:

 

De laatste jaren van Susanna Maria Knöpffel

Susanna Maria Knöpffel woonde in Hasselt in Overijssel, bij haar oudste zoon Johannes Lodewijk en zijn gezin. Haar kleinzoon, ook Johannes Lodewijk of Louis, was in 1761 in Amsterdam geboren. Zij zag zoon en kleinzoon opgroeien, de latere bouwers van de fortepiano.

In januari 1776 huurde haar zoon een huisje voor haar. Toen de familie Hasselt wilde verlaten, verviel zijn steun, en de diakenen vroegen de magistraat om een borgstelling voor "de weduwe Dulkes".

In oktober 1776 schreef ze aan de Staten van Overijssel. De magistraat wilde haar met geweld de stad uitzetten, klaagde ze. Zij woonde er sinds 1769 en was niemand tot last geweest. De magistraat noemde dat een leugen: men had gedacht dat ze op bezoek was, en pas toen ze steun vroeg, werd een borgstelling geëist.

Direct uitgezet werd ze niet. Op 18 december 1777 wordt ze voor het laatst in de notulen genoemd. Of ze daarna met geweld de stad is uitgezet, is niet duidelijk.

Op 18 april 1778 leverde ze haar attestatie, het bewijs van haar lidmaatschap van de kerk van Hasselt, in bij de Hervormde kerk van Epe. Ze was toen eenenzeventig. Zo kwam ze op de Veluwe terecht, en daar, in Heerde, overleed ze op 12 juni 1789, op tweeëntachtigjarige leeftijd.

Haar laatste elf jaar hoefden geen jaren van armoede te zijn. Haar zoon Johannes Lodewijk bouwde in Parijs fortepiano’s en werd koninklijk Frans instrumentenmaker. Haar kleinzoon Louis werd in 1781 hofklaviermaker in München. Haar dochter Maria Sophia was al voor 1789 in Amsterdam in dienst bij de familie Van der Dussen aan de Herengracht. Van haar meesteres kreeg ze later vijfduizend gulden nagelaten, een vermogen: in 1790 werd een grachtenhuis aan de Groenburgwal in Amsterdam verhandeld voor 10.500 gulden, dus ongeveer het dubbele. Het is goed mogelijk dat zij alle drie Susanna steunden, nu ze succes en inkomen hadden. Bewijzen kan ik dat nog niet. Maar de weduwe die in Hasselt geen borg kon krijgen, stierf als moeder en grootmoeder van de mannen die de fortepiano hebben uitgevonden.