In het Spoor van Dulcken:

Een muzikale instrumentbouwers-dynastie in woord en video's

 

 

Van een Berleburgs doopboek tot een Nederlands koningshuis: dat is het verhaal van vanavond.

 

Hans Meijers vader werd geboren in 1914. In 1943 trouwde hij in Amsterdam, in de Oude Lutherse Kerk. Het waren tijden om te overleven, zoals generaties voor hem ook oorlogen overleefden of ervoor op de vlucht sloegen.

Hij werd ingeschreven in een Luthers trouwboek te Amsterdam. Dat zijn voorouder Eberhard Dulcken het trouw- en doopboek van Berleburg vanaf 16 maart 1664 maakte, wist hij niet, net als van zijn grootouders, die hij nooit heeft gekend door hun vroege overlijden. Nadat zijn gereformeerde overgrootmoeder, Alida Dulcken, met de lutherse Johan George Meijer getrouwd was, woonden en werkten ze op een bijzondere plek buiten de stad. Mijn vader bracht zijn jeugd hier vlakbij door. Hun smederij was destijds gevestigd op de plek waar nu het Rijksmuseum in Amsterdam staat.

Toen zijn enige zoon in 1972 een clavecimbel bouwde, een instrument dat hem volkomen vreemd was, zorgde hij voor antieke beitels en schaven en smeedde hij de stempennen: ronde pennen met een afgeplat uiteinde. Hij kon niet weten dat zijn voorouders de gereformeerde clavecimbelbouwers Dulcken waren, één van de eerste bouwers van de fortepiano in de Lage Landen.

Pas in 2020, door de digitalisering van de trouw- en doopboeken, kwam Hans erachter dat hij het DNA draagt van de Dulckens en van Andreas Lehr, burgemeester van Berleburg.

Dankzij de Lutherse en gereformeerde doopboeken weten wij nu hoe die lijn loopt: van Johannes Dülcken, in 1591 gedoopt in Elberfeld, via predikanten en organisten als Eberhard en George Ludwig Dülcken, geboren hier in Berleburg in 1679, naar de beroemde instrumentbouwers Johannes Daniel en Johannes Lodewijk I Dulcken.

Johannes Lodewijk I experimenteerde met het clavecimbelmechaniek. Hij verving de dokjes, die de snaren aanplukken, door hamertjes die de snaar aanslaan. Zo ontstond de fortepiano: een instrument dat hard én zacht kon spelen. Aan het einde van zijn leven werd hij koninklijk instrumentbouwer van Louis XVI, wiens vrouw Marie Antoinette piano speelde.

Dat staat zwart op wit in het trouwboek van de Onze-Lieve-Vrouwekerk in München. Op 27 december 1799 werd daar het huwelijk bevestigd van Ludovicus Dülken, hofinstrumentbouwer van de keurvorst, niet-katholiek, zoon van Ludovicus Dülken, “koninklijk Frans instrumentmaker”, en diens vrouw Anna, beiden overleden. Hij trouwde met Sophia Lebrun, dochter van Ludovicus Lebrun, hofmusicus van de keurvorst, en diens vrouw Francisca, ook overleden. Getuigen waren Theobald Marchand, theaterdirecteur van de keurvorst, en Franz Danzi, kapelmeester van de keurvorst. Het gebeurde in een tijd waarin trouwen niet was toegestaan, met dispensatie van de huwelijksafkondigingen.

Johannes Lodewijk II was op zijn achttiende jaar hofinstrumentbouwer geworden bij keurvorst Karl Theodor in München. Zijn bruid, de pianiste Sophie Lebrun, was de dochter van Francisca Danzi, de beroemde sopraan die zong bij de opening van La Scala in Milaan onder Salieri, en later in Londen in de opera’s van Johann Christian Bach. Francisca overleed jong. Sophie groeide op bij haar oom Franz Danzi en haar pleegmoeder Margaretha Marchand, die zelf was opgeleid door Leopold Mozart en twee jaar bij hem in huis woonde.

Hun dochters, Louise en Fanny, werden beroemde pianistes. Louise werd hofpianiste in Stuttgart en lerares van de prinsessen. Zo kreeg de latere koningin der Nederlanden, Sophie van Württemberg, pianoles van een Dulcken.

Van een Berleburgs doopboek tot een Nederlands koningshuis: dat is het verhaal van vanavond.

 

I - Aan het Hof van Siegen

We nemen u mee naar de zeventiende eeuw, naar uw eigen Berleburg en het nabijgelegen Siegen — een tijd waarin streng protestants geloof, de klanken uit de kerkbanken, en de verborgen zonden van het adellijke hofleven elkaar op een unieke, soms pikante manier kruisten.

Het eerste filmfragment is Als Christen Bruyd, uit de beroemde Nederlandse Valerius Gedenck-Clanck van 1626, hier uitgevoerd voor sopraan en drie luiten. Het calvinisme van die tijd stelde strenge eisen aan de liturgie — uitbundige instrumentale muziek werd uit de kerk geweerd. Juist daardoor bloeide de huismuziek op: vroom, intiem, vurig religieus.

Dat we dit verhaal hier in Berleburg vertellen is geen toeval. De man die deze protestantse geloofsbeleving een stem gaf, is Eberhard Dülcken — geboren rond 1633 in Elberfeldt, zoon van een chirurgijn die zelf ook al rector was. Eberhard volgt het gymnasium in Bremen en gaat, pas drieëntwintig jaar oud, in 1656 naar de gereformeerde universiteit van Duisburg. Twee jaar later, op 1 november 1658, treedt hij aan in Siegen: rector en pedagogiarch, voor honderd thaler per jaar. Daarbovenop komt vijftig thaler voor het orgel van de Nicolaikirche, en nog eens vijftig voor het beheer van de derde pastoraatsplaats. Eén man, drie ambten — schoolhoofd, organist, zielzorger.

Het zijn roerige jaren voor de organist Dülcken: in diezelfde periode maakt Johan Maurits van Nassau-Siegen de Nicolaikirche tot de protestantse hoofdkerk van de stad en het gereformeerde deel van het graafschap. Terwijl Dülcken de Latijnse school leidt en achter het orgel zit, gebruikt de graaf de kerk als het politieke en religieuze middelpunt in een felle strijd met zijn katholieke tegenstrevers. Een treffend voorbeeld hiervan is de keuze om "Als Christi Bruyd was in den nood" uit de geuzenbundel van Valerius door het Unteres Schloss van Siegen te laten klinken — een muzikaal protestsignaal dat de verdrukking én de standvastigheid van het protestantse geloof in de stad perfect verklankte.

Aan datzelfde hof, onder het toeziend oog van die beroemde Johan Maurits von Nassau-Siegen, leeft dan de jonge gravin Wilhelmina Christina van Nassau-Siegen. Naar buiten toe is alles tucht en protestantse zedelijkheid. Maar wie de geheime dagboeken van de Oranjes openslaat, ontdekt iets anders. Dankzij het dagboek van stadhouder Willem Frederik weten we dat prins Willem II van Oranje in juni 1645 als een blok viel voor de toen zestienjarige Wilhelmina Christina van Nassau-Siegen — en de vrome schijn volledig liet varen. Haar geschokte moeder stelde al snel een streng verbod in: nooit meer alleen met de jonge prins in één kamer.

 

Klik op bovenstaande foto om de film over het voorgaande onderwerp te starten

II - Andreas Lehr van Wingeshausen

In de kerkboeken van Wingeshausen staat zijn geboorte, rond 1593, opgetekend als zoon van Johannes Lehr en diens vrouw uit de familie Lümmel. Een jongen uit Wingeshausen die naar Berleburg trekt.

Daar maakt Andreas carrière, stap voor stap. Eerst als Hospitalverwalter (1629, 1631), de beheerder van het stadshospitaal. Dan als Keller (1649), de man die de schatkist van het stadje bewaart. In 1632 en opnieuw in 1642 wordt hij Gerichtsschöffe, rechter-schepen. In 1655 Ratsherr, raadslid. En dan, viermaal: Bürgermeister. 1636. 1644. 1653. 1659. Bijna drie decennia lang is Andreas Lehr, in steeds hogere functies, het stadsbestuur van Berleburg.

Een functie als deze hoort bij een adres. Berleburg bestond in die eeuw uit twee delen: de Oberstadt, direct onder het kasteel op een smalle heuvelrug, en de Unterstadt, aangelegd na de stadsbrand van 1547. De toenmalige stadskerk stond op wat nu het Goetheplatz is — pal naast het kasteel. Als bestuurder van dit kleine residentiestadje woonde Andreas Lehr vrijwel zeker in diezelfde Oberstadt, op loopafstand van zowel kerk als kasteelpoort — en daar, in die kerk aan het Goetheplatz, zal ook zijn dochters huwelijk plaatsgevonden hebben.

Andreas trouwt twee keer. Eerst met Margarete Sayn, die hem vier kinderen geeft voor ze voor 1642 overlijdt. Dan, nog hetzelfde jaar, met Magdalene Gilsbach — negen kinderen volgen, onder wie twee zonen die net als hun vader burgemeester worden: Daniel (1683-1713) en Georg Ludwig (1692), en, gedoopt op 14 februari 1647, een dochter: Magdalene.

Zeventien jaar later, in 1664, trouwt in Berleburg een Maria Leehrin met Eberhard Dülcken — destijds inspector en pastor primarius van de graafschap, en vlak daarvoor nog rector, pedagogiarch én organist in Siegen. Vermoedelijk is dit dezelfde vrouw: voluit Maria Magdalena, in het ene document bij haar eerste naam genoemd, in het andere bij haar tweede.

 

Ter gelegenheid van de bruiloft schrijft een collega uit Siegen, Hermannus Richter, adjunct-directeur van het plaatselijke Latijnse gymnasium, een gedicht in vijf strofen — het gedrukte eergedicht dat u zo meteen te zien krijgt,

verscheen bij Salomon Schadewitz in Marburg. Vanuit het hart, dat zich voor eeuwig verbindt, parels die niet verloren gaan, voor een paar dat voortaan „vrolijk“ mag leven. In de film klinkt dit gedicht zoals het ooit bedoeld was — op muziek gezet, sopraan met luitbegeleiding, terwijl onder de laatste strofe nog steeds zijn naam staat: Sic applaudebat,

Hermannus Richter.

 

Zo klinkt, 360 jaar later, nog steeds zijn applaus voor de dochter van de burgemeester van Berleburg.

 

Klik op bovenstaande foto om de film over het voorgaande onderwerp te starten

III - De veilige haven van Weisel

In het najaar van 1704 speelt zich op het hoge plateau boven de Rijn een menselijk drama af. Terwijl in het dorpje Weisel een huwelijk en een geboorte op een haar na samenvallen, volgt een wanhopige tocht naar de overkant van de rivier. Het is het verhaal van predikant Georg Ludwig Dülcken, een anoniem gebleven moeder, en de dunne scheidslijn tussen leven en dood aan de vooravond van een bijzondere muzikale dynastie.

Op 13 oktober 1704 treden predikant Georg Ludwig Dülcken, afkomstig uit Berleburg, en zijn hoogzwangere bruid halsoverkop in het huwelijk in Weisel. De inzegening wordt voltrokken door de lokale predikant Johann Jakob Schramm (1645–1730), een gewaardeerd man die op voordracht van hoogleraar Johann Ludewig Fabricius de gemeente al decennia met ziel en zaligheid leidt.

De pastorie van Pfarrer Schramm en zijn vrouw Anna Catharina Lehr biedt het paar een broodnodige toevlucht. De reis over de steile hellingen richting de Rijn is voor een vrouw op het punt van bevallen fysiek onmogelijk. Dat de keuze op Weisel valt is geen toeval: Anna Catharina Lehr is de biologische tante van bruidegom Georg Ludwig Dülcken.

Slechts een dag na het haastige huwelijk, op de avond van 14 oktober om negen uur, komt er in de pastorie een zoontje ter wereld. Er is echter geen tijd voor feest. Het kind is extreem zwak („äußerst schwach”), en de moeder blijft in de officiële archieven gehuld in anonimiteit—haar meisjesnaam wordt nergens vermeld.

Een wanhopige tocht naar de overkant

Omdat het kindje in acuut levensgevaar verkeert, besluit men onmiddellijk te handelen. In alle spoed begint een barre afdaling van het plateau, langs burcht Katz, naar St. Goarshausen. Daar steken ze de Rijn over naar Sankt Goar, onder de imposante muren van de vesting Rheinfels.

Aan de overkant zoeken ze direct opvang en medische bijstand. Ze vinden deze bij hospitaalmeester Luther Daniel Maul in het pand aan de Maulgasse—het gebouw dat vandaag de dag bekendstaat als Haus Maul. Dit vakwerkhuis met drie verdiepingen en een steil zadeldak stamt uit het midden van de zestiende eeuw en overleefde wonder boven wonder de Franse verwoestingen tijdens de Negenjarige Oorlog in 1688.

In dit huis, dat in 1682 werd verbouwd door ziekenhuismeester Johann Henrich Maul, voerde diens zoon Luther Daniel Maul destijds het beheer over het hospitaal. Of de zuigeling naast de doop ook directe medische verzorging in het hospitaal heeft gekregen, valt uit de schaarse bronnen niet met zekerheid te zeggen; de grens tussen de ambtswoning van de hospitaalmeester en de medische opvang was in die tijd immers fluïde. Zeker is wel dat het kind vanwege de kritieke toestand meteen in het huis werd opgenomen en er de nooddoop ontving.

In het kerkelijk register wordt de gebeurtenis sober maar indringend vastgelegd:

„Den 14 8br [Oktober] des Abends um 9 Uhr ist im Hauß getaufft worden, Johann Daniel, Herrn Georg Ludwig Dülckens, Söhnlein. Gevatter ist gewesen Herr Luther Daniel Maul, Hospital-Meister. Ist im Noth-Fall geschehen, dann das Kindlein sehr schwach gewesen, wie die Amme sagte. Sind des Tags vorher copuliret worden zu Weissel. Das Kind ist in der Woch gestorben und ohne Pomp begraben.”

De medische hulp en de snelle doop mogen niet baten. Binnen een week overlijdt de kleine Johann Daniel. Hij wordt zonder pracht of praal in stilte begraven.

 

Van tragedie naar vakmanschap: Wingeshausen 1706

Het verlies van hun eerste kind werpt een donkere schaduw over het jonge gezin, maar het verhaal van de familie Dülcken eindigt niet in Sankt Goar. Twee jaar later, in 1706, verwelkomt het gezin van predikant Georg Ludwig Dülcken in Wingeshausen opnieuw een zoon. Hij krijgt exact dezelfde naam als zijn overleden broertje: Johannes Daniel.

Bij de doop van dit tweede kind is de schaduw van het verleden merkbaar, maar ook de diepe verbondenheid met het familie-erfgoed. Zijn grootvader Eberhard—eveneens predikant én organist van de Nicolaikirche in Siegen—is dan al zeven jaar overleden. Als peter bij de doop staat echter de stadsinspecteur uit Siegen: de inspecteur van de stad waar grootvader Eberhard ooit het orgel bespeelde.

Deze tweede Johannes Daniel Dülcken zou blijven leven en de familienaam wereldfaam bezorgen. Hij groeide uit tot een van de meest gevierde en invloedrijke klavecimbelbouwers van zijn tijd, met zijn uiteindelijke werkplaats in Antwerpen. Zo leidt het spoor dat in 1704 zo tragisch begon op het winderige plateau van Weisel, uiteindelijk naar de hoogtijdagen van de achttiende-eeuwse instrumentenbouw.

 

Marriage and birth of a son,13 October 1704, to the parents of the harpsichord maker J.D. Dulcken

Klik op bovenstaande foto om de film over het voorgaande onderwerp te starten

IV - Georg Ludwig en het orgel

 

In Wingeshausen is Georg Ludwig Dülcken niet alleen predikant. Hij blijkt ook een echte kenner van het orgel. In 1724 geeft hij opdracht tot de bouw van het eerste orgel van de kerk, door orgelbouwer Johann Caspar Kirchner. In oktober van datzelfde jaar wordt hij, samen met organist Johann Conrad Diehl uit Netphen, naar Heinsberg geroepen om daar een orgel te keuren en de gebreken vast te stellen. Zo'n opdracht krijg je alleen als men jou als deskundige ziet.

Maar hij doet meer dan opdrachtgever en keurmeester zijn. In 1823 schrijft de toenmalige pastoor van Wingeshausen dat het orgel in 1733 door een Dülcken is voorzien van gegoten pijpen, terwijl een timmerman uit Becker-Haus het houtwerk maakte. De pastoor noemt Eberhard, maar die was al in 1699 overleden. Hij moet dus Georg Ludwig bedoelen. De predikant giet dus zelf de pijpen van zijn orgel.

Dat is bijzonder. Hier is een pastoor die verstand heeft van metaal, van klank en van het bouwen van een instrument. In dat huis groeit zijn zoon Johannes Daniel op. Het is een belangrijke aanloop naar de man die later in Antwerpen uitgroeit tot een van de grootste clavecimbelbouwers van zijn tijd.

V - Een huwelijk in de schaduw van de oorlog — Sankt Goar, advent 1733

 

 

Op woensdag 16 december 1733, midden in de adventstijd, tekenden Johann Daniel Dülcken en Susanna Maria Knöpffel het huwelijksregister van de evangelische gemeente te Sankt Goar. Het was geen alledaags moment om te trouwen — de advent was in de lutherse en gereformeerde traditie een tijd van inkeer, geen gangbaar seizoen voor bruiloften. Wie de gebeurtenissen van die herfst naast elkaar legt, gaat vermoeden dat het tijdstip geen toeval was.

 

Een vesting in de frontlinie

 

Sankt Goar en de vesting Rheinfels lagen al generaties lang op een gevoelige plek: de grens van het Rijk tegen Frankrijk. Nog geen twee maanden vóór het huwelijk, op 10 oktober 1733, was de Poolse Successieoorlog uitgebroken — een conflict dat ogenschijnlijk over de Poolse troon ging, maar zich grotendeels afspeelde in het Rijnland. Fransen belegerden Kehl en bezetten het hertogdom Lotharingen; een jaar later, in 1734, zouden Hessen-Kasselse troepen Rheinfels zelf met keizerlijke toestemming bezetten uit vrees voor diezelfde Franse dreiging.

Voor de familie Knöpffel was dit geen abstract nieuws. Susanna's vader, Johann Conrad Knöpffel, was tot aan zijn dood Proviant-Commissair en Stift-Kellner op St Goar/Rheinfels geweest — een functie die letterlijk bestond bij de gratie van een vesting die bevoorraad moest worden, oorlog of geen oorlog. Oorlogsdreiging betekende voor dat beroep meer werk, meer vraag, meer belang.

Voor Susanna's aanstaande man gold het tegenovergestelde. Johann Daniel Dülcken, zoon van de predikant van Wingeshausen, bouwde klavecimbels — instrumenten voor welgestelde huishoudens in vredestijd, geen koopwaar waar iemand naar omkijkt zodra er troepen door de Rijnvallei trekken. Een dreigende oorlog was voor hem geen zakelijke kans, maar een reden om te vertrekken.

 

Trouwen om te kunnen vluchten

 

Het huwelijk in de advent — buiten het gebruikelijke seizoen, kort na het uitbreken van de oorlog — past bij een paar dat haast had. Een huwelijk regelde niet alleen de liefde, maar ook het vermogen: het maakte een gezamenlijk vertrek mogelijk, met de zegen en de papieren die een jong gezin nodig had om zich elders te vestigen.

En vertrekken deden ze. Daniel duikt op in Maastricht, waar hij met Susanna een winkel drijft in een pand aan de Munt, "Het Gulde Cruijs" — officieel een grutterij, maar de boedelinventaris na het faillissement laat een bredere handel zien: vaten, dozen, oliekuipen, vaten met tabak, en zelfs twee snaarloze violen en een trompet. Zij, dochter van een vesting-provianteur, verruilde de wereld van haar vader voor een eigen winkelzaak — met een sortiment dat wel iets weg heeft van de proviandering die ze van huis uit kende. Het is een understatement om te zeggen dat het geen vanzelfsprekende stap was — en het liep niet goed af. In 1737 leende Daniel geld van de weduwe van de burgemeester; de schulden liepen op, en rond de jaarwisseling van 1737/38 verliet het gezin Maastricht met achterlating van een groot deel van de inboedel. De Maastrichtse magistraat verklaarde de boedel "desolaat" en stelde een curator aan; tot in 1740 kreeg Daniel nog brieven van schuldeisers achterna.

 

De wending in Antwerpen

 

Wat in Maastricht mislukte, lukte in Antwerpen. Het jonge gezin — hun zoon Johannes Lodewijk was nog geen drie jaar oud — vestigde zich er in armoede, maar Daniel nam al zijn klavecimbelbouw-gereedschap mee de stad in. Hij sloot zich aan bij de clandestiene gereformeerde gemeente, werd er in 1744 ouderling, en bouwde aan de Hopland de instrumenten die hem tot een van de meest gerenommeerde clavecimbelbouwers van de achttiende eeuw zouden maken — met een reputatie die volgens tijdgenoot Charles Burney alleen onderdeed voor de legendarische familie Ruckers.

 

Een verhaal in twee tempo’s

 

Wat deze episode voor de film zo bruikbaar maakt, is het contrast: een vesting die zich bewapent terwijl een jong stel er juist vandoor gaat; een winkel die faalt terwijl een ambacht standhoudt; een schuldenlast die een gezin achtervolgt tot het uiteindelijk, in een andere stad, alsnog succes vindt. De geschiedenis van Rheinfels — de eeuwenlange twist tussen de Rotenburg- en Wanfried-linies, de soevereiniteit van Hessen-Kassel, de herhaalde Franse dreiging — vormt niet slechts decor. Ze is de reden waarom dit huwelijk plaatsvond wanneer het plaatsvond, en waarom een dochter van een proviant-commissaris uiteindelijk de stammoeder werd van een klavecimbelbouwersdynastie ver van de Rijn.

 

Baptism of Susanne Maria Knöpffel and Wedding of Susanne and Daniel Dulcken SANKT GOAR

Klik op bovenstaande foto om de film over het voorgaande onderwerp te starten

VI -  Georg Ludwig - Het tweede huwelijk

Georg Ludwig trouwt twee keer. Over zijn eerste vrouw weten we iets opmerkelijks. Op 22 januari 1736 staat ze in Maastricht als getuige bij de doop van haar kleindochter Johanna Magdalena. Naast haar staat de andere grootmoeder, Regina Magdalena, weduwe van de Sankt-Goarse proviandcommissaris Knöpffel. Twee families, door een huwelijk verbonden, bij één doop in Maastricht.

Het is geen toeval dat die twee families hier samenkomen: meerdere Dülcken-broers trouwden met Knöpffel-zussen. De reis van Sankt Goar naar Maastricht maakten ze daarom waarschijnlijk samen, als één grote familie die elders een nieuw bestaan zocht.

Maar in het overlijdensregister van Wingeshausen komen we Georg Ludwigs vrouw nergens tegen. Ze moet dus kort daarna elders zijn overleden, want in mei 1737 is Georg Ludwig weduwnaar. Het ligt voor de hand dat dit gebeurde op een van de lange reizen tussen Maastricht en Wingeshausen, maar bewezen is dat niet. Haar graf kennen we niet.

Op 8 mei 1737 trouwt Georg Ludwig opnieuw, en de akte is bewaard gebleven. Dankzij een gunst van de heer (herrschaftlichen Dispensation) wordt het paar zonder afkondiging, op het slot, getrouwd: "Herr Görg Ludwig Dülcken, Witwer und Pfarrer zum Wingeshaussen" en "Jungfer Anna Catharina Musculus", de achtergelaten dochter van wijlen Johannes Musculus, hoogvorstelijk Hessisch ambtsschout te Wetter in het Opperprinsdom Marburg.

 

Visit to the church in Sassenhausen with Georg Ludwig’s second wife, Anna Catharina Musculus

Klik op bovenstaande foto om de film over het voorgaande onderwerp te starten

VII - Mittelrhein-landschap op een clavecimbeldeksel van MIM - Brussel - Carolus Bigée

In 1651, kort na de Vrede van Münster, trok de Utrechtse kunstenaar Herman Saftleven (1609-1685) de Rijn op. Hij reisde tot Bingen en tekende het Midden-Rijndal met zijn steile wijnbergen, rotswanden en burchten. Hij zette het drama aan, en dat sprak aan: de tekeningen werden uitgewerkt tot gravures en kunstboeken en gingen door vele handen.

Ook Joost van den Vondel kende ze. In zijn lofdicht op het kunstboek van Saftleven beschrijft hij hoe je zonder je kamer te verlaten "stil den Ryn" kunt "opstreven", van Utrecht en de Dom tussen wijnbergen en bomen. Het Rijnlandschap was dus een genre waarmee je thuis op reis ging.

Dat maakt het geschikt voor een clavecimbeldeksel. 

Het clavecimbel dat in 1745 in Antwerpen is gemaakt, wordt bewaard in het MIM in Brussel. Het deksel is geschilderd door Carolus Bigée uit Mechelen, die het signeerde als "C. Bigée F." De compositie volgt Saftleven. Links staat een donker coulisse-element met bomen en figuren, waarlangs het oog diagonaal naar rechts gaat, naar meanderend water, vissers en blauwige rotsen in de verte.

Het is mogelijk dat Johann Daniel Dulcken, die in de streek rond Sankt Goar en Weisel is getrouwd, Bigée de opdracht gaf juist dát landschap te schilderen. Maar het blijft "misschien", om drie redenen:

Er is geen bron voor de opdracht. Een contract, brief of rekening waarin Dulcken een Rijnlandschap bestelt, is niet bekend.

Het landschap is niet herkenbaar als Sankt Goar. Bigée werkte naar een idealiserende compositie, geen topografisch getrouwe weergave.

Bigée kan het zelf hebben gekozen. Saftlevens Rijngezichten waren bekend en populair, dus een Rijnlandschap hoeft niet meer te betekenen dan dat het in de mode was.

Wat het "misschien" toch gewicht geeft, is de combinatie. Dulcken trouwde in dat dal, en de oversteken bij Sankt Goarhausen en de huwelijken van zijn ouders zijn gedocumenteerd. Dat het deksel een Rijndal toont, kan toeval zijn. Het is in ieder geval een samenloop die je serieus kunt nemen.

 

Gavotte - Mittelrhein landscape Nederlands - CAROLUS BIGEE - DULCKEN

Klik op bovenstaande foto om de film over het voorgaande onderwerp te starten

 

VIII - Een Duitse weduwe in een Franse stad: Brussel, 1764

Op 11 april 1757 overleed Johannes Daniel Dülcken in Antwerpen, begraven te Putte, de route die niet-katholieken uit de stad al decennia namen. Hij liet een van de meest gerespecteerde klavecimbelateliers van de Zuidelijke Nederlanden achter. Zijn oudste zoon, Johannes Lodewijk, werkte al zelfstandig in Amsterdam. De tweede zoon, Johannes, was nog te jong om een werkplaats te leiden.

Volgens het testament was Susanna Maria Knöpffel, dochter van een vesting-provianteur uit Sankt Goar, "gejustitueerde erfgename". Zij hield de werkplaats draaiende tot haar zoon oud genoeg was. Toch reisde ze nog geen vier maanden na Daniels dood naar Amsterdam voor de doop van haar eerste kleinkind. Familie en zaak waren voor haar nauw verweven.

De verkoop in Antwerpen liep terug, en Susanna keek naar Brussel. Daar wilde ze het atelier voortzetten met haar schoonzoon Jean Herman Faber, getrouwd met haar oudste dochter Joanna Henriette en opgeleid bij de Antwerpse schilder Joannes Josephus Horemans II. Brussel wees haar eerste verzoek af. Na aanhoudend aandringen kreeg ze de vergunning, en in 1764 vertrok ze met Johannes en twee dochters.

Datzelfde jaar schilderde Horemans een muzikaal familietafereel, nu in het Snijders&Rockoxhuis in Antwerpen. We zien twee dochters, Johannes op de cello, de jongste dochter in het midden en Faber op de achtergrond. Op het klavecimbel is "DUL[...] 1764" te lezen, vrijwel zeker het instrument dat Johannes Daniel bouwde. De flessen op het doek wijzen mogelijk naar Susanna’s handel in glaswerk. Het lijkt een portret van het gezin rond het vertrek.

Brussel was het hof van Karel van Lotharingen, doordrenkt van Franse smaak. Voor een Duitse vrouw van in de vijftig, geboren aan de Rijn en gewend aan de Vlaams-Duitse wereld van Antwerpen en Maastricht, was dat een andere culturele huid. Net als het adventhuwelijk van 1733 is dit een moment waarop persoonlijke noodzaak en historische stroming samenvallen.

Ook Brussel liep op niets uit. Susanna trok in bij haar zoon in Hasselt ( Overijssel), Johannes vertrok later naar Amsterdam en Den Haag, en Faber bleef als schilder in Antwerpen.

 

Voor de film

 

Dit is de scène waarin de klaveciniste speelt onder het schilderij van Horemans, dat in de film boven het Dulcken-klavecimbel hangt dat ze bespeelt. Alleen haar kleding is identiek aan die van het meisje op het doek — verder is zij niet dezelfde leeftijd en niet bedoeld als diezelfde persoon; de kledij is een visueel echo-effect, geen personage-gelijkstelling. De muziek is Bachs Franse Suite nr. 6: niet toevallig Frans van titel, gespeeld door een Duitse vrouw, in een stad die zelf tussen twee culturen in balanceerde. Zoals Weiss ooit meereisde naar een hof in oorlogstijd, en zoals een advent-huwelijk een vlucht voor oorlogsdreiging verhulde, verhult dit schilderij een vertrek: een familie, net op tijd gevangen op het doek, op het punt een nieuw hoofdstuk te beginnen in een stad die niet de hunne was — en die het, zoals achteraf blijkt, ook niet zou blijven.

 

BRUSSEL- Allemande & Gigue - Franse suite VI

Klik op bovenstaande foto om de film over het voorgaande onderwerp te starten

IX - De laatste jaren van Susanna Maria Knöpffel

Susanna Maria Knöpffel woonde in Hasselt in Overijssel, bij haar oudste zoon Johannes Lodewijk en zijn gezin. Haar kleinzoon, ook Johannes Lodewijk of Louis, was in 1761 in Amsterdam geboren. Zij zag zoon en kleinzoon opgroeien, de latere bouwers van de fortepiano.

In januari 1776 huurde haar zoon een huisje voor haar. Toen de familie Hasselt wilde verlaten, verviel zijn steun, en de diakenen vroegen de magistraat om een borgstelling voor "de weduwe Dulkes".

In oktober 1776 schreef ze aan de Staten van Overijssel. De magistraat wilde haar met geweld de stad uitzetten, klaagde ze. Zij woonde er sinds 1769 en was niemand tot last geweest. De magistraat noemde dat een leugen: men had gedacht dat ze op bezoek was, en pas toen ze steun vroeg, werd een borgstelling geëist.

Direct uitgezet werd ze niet. Op 18 december 1777 wordt ze voor het laatst in de notulen genoemd. Of ze daarna met geweld de stad is uitgezet, is niet duidelijk.

Op 18 april 1778 leverde ze haar attestatie, het bewijs van haar lidmaatschap van de kerk van Hasselt, in bij de Hervormde kerk van Epe. Ze was toen eenenzeventig. Zo kwam ze op de Veluwe terecht, en daar, in Heerde, overleed ze op 12 juni 1789, op tweeëntachtigjarige leeftijd.

Haar laatste elf jaar hoefden geen jaren van armoede te zijn. Haar zoon Johannes Lodewijk bouwde in Parijs fortepiano’s en werd koninklijk Frans instrumentenmaker. Haar kleinzoon Louis werd in 1781 hofklaviermaker in München. Haar dochter Maria Sophia was al voor 1789 in Amsterdam in dienst bij de familie Van der Dussen aan de Herengracht. Van haar meesteres kreeg ze later vijfduizend gulden nagelaten, een vermogen: in 1790 werd een grachtenhuis aan de Groenburgwal in Amsterdam verhandeld voor 10.500 gulden, dus ongeveer het dubbele. Het is goed mogelijk dat zij alle drie Susanna steunden, nu ze succes en inkomen hadden. Bewijzen kan ik dat nog niet. Maar de weduwe die in Hasselt geen borg kon krijgen, stierf als moeder en grootmoeder van de mannen die de fortepiano tot een succes hebben gemaakt!

 

Epe Nederlands

Klik op bovenstaande foto om de film over het voorgaande onderwerp te starten