Multimedia Art Productions

IMG_0112
Burgemeester van Hasselt - Gerrit Bode en zijn vrouw




Burgemeester Bode kraakt sterfhuis Arnoldina van Benthem.

De erfenis van Arnoldina van Benthem deel 2

Henk Poelarends

De kraak

Het is dinsdag 28 september 1751, twee uur in de middag. Burgemeester Gerrit Bode heeft de hele morgen vergaderd op het stadhuis. Daar is hij zich gisteren rot geschrokken toen een document afkomstig van Frederik Hendrik van Benthem werd voorgelezen. Nu weet hij wat hem te doen staat en stapt het stadhuis uit. Hij heeft de sleutel bij zich en loopt de Nieuwstraat in. Op de hoek van de Regenboogsteeg blijft hij staan en kijkt naar de prachtige deur van het sterfhuis van Arnoldina van Benthem. Hij loopt ernaartoe en steekt de sleutel in het slot. Er gebeurt niets. De deur weigert open te gaan. Het onbehaaglijke gevoel dat hij had verandert in woede. Iemand heeft het slot vervangen om hem buiten te sluiten. Woedend loopt hij de Nieuwstraat in naar het huis van smid Christoffer Hartong. Hij vertelt wat er gebeurd is en vraagt hem mee te komen. Deze neemt een een haak een een voorhamer mee. De smid probeer eerst de sleutel nog een keer. Gerrit Bode loopt de Regenboogsteeg in om te proberen het huis van de andere kant binnen te komen. Beide pogingen mislukken. De smid probeert nu met de tang de deur open te breken. Ook dat mislukt. Ondertussen loopt de Nieuwstraat vol mensen die willen zien wat daar gebeurt. Burgemeester Bode aarzelt niet meer. Hij pakt de voorhamer en slaat daarmee twee keer op de deur. Deze springt open en hij stapt het sterfhuis van Arnoldina van Benthem binnen. Het is stil in huis, maar alles ademt nog de sfeer van vrouw die hier jarenlang gewoond heeft. De inventaris is nog compleet. De burgemeester is binnen en zal daar niet meer weggaan. De hele inbraak heeft maar een kwartier geduurd.

Scherm­afbeelding 2025-09-23 om 14.06.33
Sterfhuis van Aroldina


Het overlijden van Arnoldina

Scherm­afbeelding 2026-03-06 om 15.11.59
Begrafenisboek: Den 30 maart begraven, vrou van benthum 15 -1- 0


Arnoldina van Benthem woont in het honderd jaar oude pand op de hoek van de Nieuwstraat en de Regenboogsteeg. Ze is oud en al jarenlang bedlegerig. Ze wordt verzorgd door een dienstmeisje dat bij haar in huis woont. Veel familieleden heeft ze niet, maar een groot aantal inwoners van Hasselt komt regelmatig op bezoek. Sommigen hebben zelfs een sleutel en kunnen elk moment van de dag binnen komen.
Op 21 maart 1751 komt er een einde aan haar leven en wordt de familie ingelicht. De magistraat van Hasselt roept haar neef Frederik Hendrik van Benthem op om op het stadhuis te verschijnen. Hij is een voorname inwoner van Zwolle en maakt als gemeensman deel uit van de raad. Op 23 maart wordt hij ontvangen op het stadhuis en burgemeester Gerrit Bode vertelt dat hij in het bezit is van het testament van zijn tante Arnoldina van Benthem. Onder toeziend oog van burgemeester Casper Meeuwsen en Jan Kuijk wordt eerst het zegel gecontroleerd. Omdat er geen fraude geconstateerd wordt, wordt de enveloppe opengesneden en het testament geopend en voorgelezen. Het testament is in het hoogadellijke geregt opgesteld op 28 dec 1744 door Hoogschout Grevensteijn met als getuige Egbert Lakke, in tegenwoordigheid van burgemeester De Vries en Coenraad van Meurs. Arnoldina blijkt schatrijk te zijn. Vandaag zou ze dankzij haar vermogen multimiljonair zijn.
In het
testament heeft ze vastgelegd dat haar hele bezit naar haar neef Van Benthem gaat, maar ook staat haar testament vol met legaten voor een groot aantal inwoners van Hasselt. Zo zijn er legaten te verschijnen. Hij is een voorname inwoner van Zwolle en maakt als gemeensman deel uit van de raad. Op 23 maart wordt hij ontvangen op het stadhuis en burgemeester Gerrit Bode vertelt dat hij in het bezit is van het testament van zijn tante Arnoldina van Benthem. Onder toeziend oog van burgemeester Casper Meeuwsen en Jan Kuijk wordt eerst het zegel gecontroleerd. Omdat er geen fraude geconstateerd wordt, wordt de enveloppe opengesneden en het testament geopend en voorgelezen. Het testament is in het hoogadellijke geregt opgesteld op 28 dec 1744 door Hoogschout Grevensteijn met als getuige Egbert Lakke, in tegenwoordigheid van burgemeester De Vries en Coenraad van Meurs. Arnoldina blijkt schatrijk te zijn. Vandaag zou ze dankzij haar vermogen multimiljonair zijn. In het testament heeft ze vastgelegd dat haar hele bezit naar haar neef Van Benthem gaat, maar ook staat haar testament vol met legaten voor een groot aantal inwoners van Hasselt. Zo zijn er legaten lijsten waarop de bezittingen van Arnoldina staan, er is geen overzicht van schulden en ook zijn veel bezittingen verhuurd of verpacht. Weer krijgt hij zes weken de tijd om de zaak in orde te maken.
Ondertussen heeft hij twee inwoners van Hasselt de opdracht geven om het pand in de gaten te houden. Dat zijn Wolter van ter Wede en Derk Jans. Zij verblijven soms in het sterfhuis en slapen er zelfs.
Op 8 juni blijkt dat Van Benthem nog niet klaar is. De magistraat wordt ongeduldig en maant tot spoed. Van Benthem belooft niets uit het huis te verwijderen en doet nog een keer de oproep aan schuldeisers om zich te melden. Eindelijk komt op 20 juli het bericht dat Van Benthem klaar is met de inventarisatie en daarom wordt er op 22 juli een soort conferentie belegd waarin naast Van Benthem en zijn advocaat ook de magistraat en Gerrit Bode met zijn advocaat aanwezig zijn. Gezamenlijk bekijken ze de documenten die Van Benthem overlegt. Van Benthem is in alles vriendelijk en lijkt een betrouwbare erfgenaam. Toch is burgemeester Bode niet tevreden. Volgens hem is de lijst met schuldeisers niet compleet. Van Benthem heeft er onvoldoende werk van gemaakt. Voordat de lijst met bezittingen en schulden door de magistraat vastgesteld en bekrachtigd kan worden, wordt er nog een keer een oproep gedaan aan de schuldeisers om zich te melden. Op 14 september wordt de lijst definitief door de magistraat vastgesteld nadat zich toch nog een schuldeiser gemeld heeft. Uiterlijk 28 september vervalt het voorbehoud en moet Van Benthem bekend maken of hij de erfenis aanvaardt. Maar dan.
Op 27 september ontvangt de magistraat een document van Van Benthem waarin hij meedeelt dat hij het testament van Arnoldina door deskundigen heeft laten onderzoeken en dat hij tot de conclusie is gekomen dat het testament van nul en gene waarde is. Als naaste verwant eist hij alle bezittingen van zijn tante op. Hij zal als een goed erfgenaam de schulden voldoen, maar de toegezegde legaten hebben geen enkele rechtsgeldigheid. Wie toch nog rechten aan het testament denkt te ontlenen moet maar een gerechtelijke procedure starten. De magistraat wordt verzocht dit aan elke geïnteresseerde mee te delen. Omdat de wettelijk termijn pas de volgende dag afloopt, reageert de magistraat niet.
Op dinsdag 28 september wacht de magistraat af of Van Benthem of zijn advocaat C. Fabius zullen komen om het gevraagde voorbehoud af te ronden. Er verschijnt niemand. Burgemeester Gerrit Bode overlegt met de andere leden van de magistraat. De burgemeester laat beslag leggen (doet pandinge) op alle goederen die in het sterfhuis aanwezig zijn. In het sterfhuis mag niets verplaatst en of weggehaald worden. Van Benthem moet de kosten van de verdere procedure betalen. De magistraat aanvaardt de beslaglegging en via een Memorie brengt de stadsdienaar dit over aan Van Benthem. Gerrit Bode spoedt zich naar het sterfhuis met alle gevolgen van dien.

Getuigenverhoor

Nu er een inbraak plaats heeft gevonden moeten getuigen gehoord worden. Op 1 oktober verschijnen voor Hoogschout Abraham Urbanus Grevensteijn drie getuigen die moeten vertellen over de kraak die Gerrit Bode heeft gepleegd.

1. Als eerste komt Wolter van ter Weede. Hij is 53 jaar oud en woont in een huis links van het sterfhuis, dat hij van Arnoldina huurt. Hij vertelt dat Gerrit Bode op 28 september rond 14.00 uur bij hem thuis komt. Hij wordt door zijn vrouw geroepen en de burgemeester vraagt hem wie er in het huis van Arnoldina aanwezig is. Omdat er niemand aanwezig is eist Gerrit Bode de sleutel , ‘want ik moet er in wezen’. “Je krijgt hem niet” “Ik zal er wel in komen”. Wolter loopt met Bode mee naar het huis en Bode vraagt hem de deur open te maken. Hij weigert.
Bode probeert het nog met zijn eigen sleutel en gaat dan naar smid Christoffer Hartong. Bode vraagt nog een keer om de deur te openen. Dit gebeurt niet en dan probeert de smid de deur te openen. Bode loopt naar de achterkant van het huis om te kijken of hij daar binnen kan komen.
Dat lukt niet. Nu neemt hij de voorhamer en slaat twee keer op de deur waarna deze openspringt. Bode betreedt het huis. Wolter van ter Weede stuurt Derk Jans naar Zwolle om het voorval aan Van Benthem te vertellen.
2. Derk Jans is tussen de veertig en vijftig jaar oud en woont aan de gracht in een huis dat hij huurt van Arnoldina. Hij is door zijn vrouw geroepen om bij Wolter van ter Wede te komen. Hij komt daar op het moment dat de smid met een haak de deur probeert open te breken. Hij ziet hoe Bode op de deur slaat.
3. Christoffer Hartong, 45 jaar. Bode kwam hem halen om de deur te openen. Hij vraagt of dat zomaar mag. Bode zegt dat het voor zijn verantwoording is. Hij neemt zijn haak en voorhamer mee. Bode probeert eerst de sleutel. De smid vraagt of Wolter van ter Wede (Harms) de deur niet kan openen. Dan probeert hij het met de haak. Bode loopt naar achteren. Hij vraagt nog een keer aan Wolter van ter Wede om de deur te openen. Dan pakt Gerrit Bode de voorhamer van de grond en slaat twee keer op de deur. Deze gaat open en Gerrit stapt naar binnen. Alles heeft ongeveer een kwartier geduurd.

rekening deur
Rekening van de smid voor het af- en aanbrengen van een slot van het huis van juffrouw van Benthem



Standpunten

De inwoners die een legaat verwachten stellen zich op het standpunt dat het testament van Arnoldina van Benthem echt is. Het is door een bevoegde persoon met getuigen opgeschreven en op de voorgeschreven manier geopend. Het is rechtsgeldig en moet uitgevoerd worden. Ook de actie van Gerrit Bode is rechtsgeldig. In het testament van Arnoldina uit december 1744 is namelijk de volgende zinsnede opgenomen: “ Willende en begerende verders dat de huijsvrouw van de Heer Majoor Tuessink, de weduwe Verdelft, de weduwe van Jan Bode en Gerrit Bode, op kosten van het Sterfhuijs ter Sterfhuijze gezamenlijk en ieder in het bijsonder so lange sullen mogen verblijven totdat de navolgende legaten alle uijtgereijkt zijn” Daarna volgen alle legaten. Hiermee toont Arnoldina dat ze wantrouwend is t.a.v. haar neef. Ze bouwt in haar testament een zekerheid in zodat de legaten uitgekeerd zullen worden. Vanwege haar zwakke gezondheid heeft ze al veel eerder, op 25 maart 1732, bij de schepenen schriftelijk vastgelegd dat twee vertrouwelingen altijd
toegang tot haar huis hebben nl: de weduwe van Jan Verdelft en de weduwe van Jan Bode.
Zij mogen een derde persoon kiezen. Dat wordt Gerrit Bode. Zij krijgen allen een sleutel van het huis en hebben onbeperkte toegang.
“ welke te samen en een ijder van haar in het bijsonder, bevoegd zullen zijn om voor, in en na haar afsterven in het huijs te mogen verkeren zonder daarin door hare erfgenamen belet of tegengehouden te worden”
Gerrit Bode betwist dat hij eerst een rechtelijke uitspraak moet afwachten. Hij is gerechtigd dit huis binnen te gaan alsof het zijn eigen woning is. Wanneer je eigen voordeur niet open wil, haal je er ook geen gerechtsdienaar of rechter bij.



Start van het proces

Op 30 september brengt Jacob van der Werf, de roedendrager / stadsbode, een reactie op de inbraak in het huis en op de beslaglegging van Van Benthem over aan Bode.
Op 2 oktober melden verschillende inwoners zich bij de magistraat omdat ze een legaat verwachten. En twee dagen later melden Gerrit Bode, weduwe Verdelft en de weduwe van Jan Bode bij de magistraat dat ze zich in het sterfhuis hebben gevestigd en dat ze daar zullen blijven totdat de legaten zijn uitgekeerd. Op 4 oktober dient Gerrit Bode een document bij de magistraat in waarin namens de pandeisers geëist wordt dat de huurders en pachters van huizen en landerijen hun betalingen niet meer aan Van Benthem zullen doen. Dit wordt door de magistraat gewettigd en aan de betreffende personen meegedeeld. Op dezelfde dag komt er een brief van de magistraat van Zwolle waarin Van Benthem en zijn vrouw als pandweerders (zich verweren tegen beslaglegging), alle bezittingen claimen waarop Bode en medestanders beslag hebben gelegd. De magistraat van Zwolle stelt zich op achter Van Benthem. Eén dag later verschijnt de advocaat van Van Benthem, C. Fabius en vraagt de magistraat, nu het tot een rechterlijke procedure komt, dat twee personen zich uit de zaak terugtrekken omdat ze te nauwe banden met Bode hebben nl. burgemeester Jacobus van Zuijlen en gemeensman Johan van Zuijen, Bodes schoonvader en zwager. Hoogschout Grevensteijn neemt de plaats in van burgemeester van Zuijlen. Dit is ook voor Gerrit Bode een goede beslissing want het was Grevensteijn die het testament van Arnoldina opstelde en die zich niet door Van Benthem laat gezeggen dat dit testament niet rechtsgeldig zou zijn. Twee andere burgemeesters, Cotgens en Van Benthem, wonen in een huis dat ze van Arnoldina huren. Hierna ontstaat er een langdurige procedure waarin de magistraat elke twee weken te maken krijgt met documenten van de strijdende partijen. Wanneer er een document door een van de twee partijen wordt ingediend, moet de tegenpartij een kopie ontvangen. Ook van elke vergadering van de magistraat die iets te maken heeft met het proces moeten kopieën uitgeschreven worden. Een document bevat soms 100 bladzijden met ellenlange Latijnse citaten uit wetboeken uit binnen en buitenland. Elke actie lokt een reactie uit. Er wordt geklaagd over de kosten van de kopieën, de reiskosten enz. Elke onduidelijkheid wordt aangegrepen om nieuwe documenten op te vragen. Bode verwijt de advocaat van Van Benthem tijdrekken.

Voortgang van het proces
Het voert te ver om van elk onderdeel van het proces te beschrijven wat er gebeurt. Elk twee weken gebeurt er wel iets en dat een jaar lang. Daarom enkele bijzonderheden.
• Op 28 november 1751 eist Van Benthem een bedrag van 1000 gulden om de deur te herstellen. Bode claimt direct geld uit de boedel.
• In januari 1752 speelt een borgstelling voor de kosten van het proces dat Van Benthem heeft aangespannen. De magistraat van Zwolle wil zich borg stellen voor de kosten wanneer Van Benthem alle proceskosten moet betalen. Het probleem is dat Zwolle en Hasselt twee verschillende rechtsgebieden zijn. Ze hebben alleen bevoegdheid binnen het eigen gebied.
Daarnaast vindt Zwolle dat de magistraat van Hasselt niet onpartijdig is in zijn rechtspraak. Burgemeester Bode is een van hen.
• In het voorjaar laat Bode zijn veestapel weiden op verschillende percelen weiland, die behoren bij het eigendom van Arnoldina en die volgens het legaat hem zouden toebehoren. Van Benthem maakt daar bezwaar tegen.
• Op 5 mei laat Van Benthem zeven ossen die op een perceel bij Zwolle lopen, verwijderen en brengt ze onder in een schutstal en bij een herberg. Bode kan ze daar ophalen tegen vergoeding van kosten.
• In juni worden de weduwe Verdelft en de weduwe van Jan Bode ook pandeisers en dat wordt bij het dossier gevoegd waardoor het proces nog ingewikkelder wordt.
• Op 14 juni voert Bode de druk op en eist beslag op alle eigendommen van Van Benthem. Ook die eigendommen die niet onder de erfenis vallen. Van Benthem vraagt direct pandkering.
• In juli voegt Ridderinkhof, die in een van Arnoldina gehuurd huis aan de gracht woont, zich ook bij de pandeisers.
• Van Benthem besluit tot een tegenzet. Hij dient een klacht in bij de Ridderschap en Steden.
Nu moet hare Koninklijke Hoogheid, de gouverneur van Overijssel zich over de zaak buigen.
Burgemeester Bode reageert daarop dat hij dit een achterbakse actie vindt.

  • Op 3 oktober 1752 eist Van Benthem eerst vergoeding van alle misgelopen inkomsten voordat er ook maar sprake van kan zijn dat er over legaten gepraat wordt.

De afloop

Na oktober 1752 blijft het een hele tijd stil. Het laatste document in het dossier is van 16 juni 1753. Een document van de magistraat van Zwolle waarin nog een keer uiteengezet wordt waarom Van Benthem recht heeft op de erfenis.
In het dossier zit geen document dat aangeeft wie de ruzie gewonnen heeft. Geen uitspraak van de magistraat waar iedereen zich bij neerlegt. Daarom ben ik op zoek gegaan naar legaatsporen in andere archieven die misschien meer duidelijkheid kunnen geven. Ik heb gezocht naar gegevens over twee zaken: ten eerste informatie over de woningen die in de lijst met legaten staan.
Dat zijn er twee:
Legaat voor Gerrit Bode: “huis in de Ridderstraat achter de kerk met hof en huisje aan de stal schietende tot aan de Regenboogsteeg”.
Legaat voor Zwaantje Bode: “een huis aan de Markt, het tweede van de hoek van de Hofstraat naast het huis thans bewoond door Rutger van Goor”
.
En ten tweede: wat gebeurt er met het bezette sterfhuis in de Nieuwstraat waar de inventaris die per legaat is weggeschonken nog aanwezig is.
Het eerste opvallende feit is dat Frederik Hendrik van Benthem op 12 mei 1754 sterft zonder dat het conflict is opgelost. Hij heeft een testament gemaakt waarbij hij zijn bezittingen aan verre familieleden afstaat. (zie: Hasselt Historiael, december 2025) De gebroeders Van Hecht en mevr. Noorda krijgen alle drie een deel van de bezittingen. Zij bieden in 1755 de woningen, tuinen, schuren en percelen land te koop aan. In de dagelijkse handelingen van de magistraat betreffende de 50e penning (soort overdrachtsbelasting) staan ze allemaal genoemd. Bij de twee woningen en de percelen land die in het legaat genoemd worden, staat vermeld dat deze nog betwist worden vanuit het testament dat Arnoldina van Benthem heeft gemaakt.
In september 1757 spant de weduwe van Frederick Hendrik van Benthem, Helena Margaretha Podt, een proces aan tegen de magistraat van Hasselt. (NL-ZlCO_0037.2_259a) Zij claimed dat een voorouder van Frederik Hendrik van Benthem in 1690 een lening van 1000 gulden heeft verstrekt aan de stad Hasselt. Zij wil dat geld nu terug. In het verweerschrift van de magistraat komt een opmerkelijke zin voor. Nadat de advocaat van de magistraat eerst heeft gewezen op het feit het een dubieuze claim is, waar zelfs Frederik Hendrik van Benthem waarschijnlijk geen brood in zag, vervolgt hij met “ Frederik Hendrik van Benthem was een heer die het pleiten liefhad en wel een proces op hope van gewin kon wagen ook al had hij geen schijn van kans.
Zoals de advocaat van de tegenpartij, advocaat van Hattum, zelf weet wanneer hij slechts de gevoerde procedures tegen de oud-burgemeester Bode, die hij met ondergetekende uitvocht, belieft weder te binnen te brengen.” Hier wordt volgens mij verwezen naar het proces over de legaten. Een proces dat dus voor 1757 is uitgevochten, waarbij Frederik Hendrik kansloos was.
Het sterfhuis van Arnoldina komt in handen van
Hendrik van Hecht en Tede de Vries, maar daar zitten volgens afspraak burgemeester Bode en zijn medestanders nog in. In de registers wordt aangegeven dat het huis leeg staat. Pas in 1761 verhuurt Hendrik van Hecht de woning aan de clavecimbelbouwer Johannes Lodewijk Dulcken. Hij wordt de eerste bewoner na het overlijden van Arnoldina van Benthem.
Ergens tussen 1755 en 1757 vindt het conflict dus zijn einde. De conclusie is dat burgemeester Bode en zijn medestanders gewonnen hebben. De woningen zijn niet verkocht maar als legaat afgestaan. Het sterfhuis is weer bewoond, de gelegateerde voorwerpen hebben een nieuwe eigenaar.
De kraak heeft zijn nut bewezen.


Bronnen
Voor dit verhaal heb ik gebruik gemaakt van het meer dan 1150 pagina’s dikke processtuk 441
(inventarisnummer Archief Hasselt 0058.2) en van enkele archiefstukken uit de dagelijkse

handelingen (inventarisnummer 0058.1)