Multimedia Art Productions


Godfried Scheffer, klavecimbelbouwer in Amsterdam eist in augustus 1763 van Dulcken 200 gulden vanwege een niet terugbetaalde lening en Siegwriet Markard uit Amsterdam eist een klavier terug, dat hem toebehoort, maar nog bij Dulcken in de werkplaats staat.
Zo kan hij de rekening van Wijnverkoper
Cornelis Warneke uit Amsterdam voor wijnen die deze in 1764 en 1765 heeft geleverd niet betalen. In oktober 1766 gaat Warneke naar de Hasselter magistraat om betaling af te dwingen. Dulcken lost dit op door direct 25 carolusgulden te betalen en te beloven elke maand een volgend bedrag af te dragen.
Hetzelfde gebeurt met zijn uit Duitsland afkomstige knecht
Johan Ernst Tappe. Deze werkt in het jaar 1765 en een gedeelte van 1766 in zijn werkplaats. Het loon bedraagt 30 stuivers per week. Tappe is enkele keren bij Dulcken aan de deur geweest, en heeft zelfs een keer 1,12 ontvangen. Omdat hij daarnaast ook nog 4 gulden aan Dulcken heeft geleend, eist hij via de magistraat een bedrag van 84,80. Wanneer hij nu geen geld krijgt, eist hij in beslagname van goederen (panding) zodat via verkoop van deze goederen hij aan zijn geld kan komen. Hij wenst ook niet meer voor Dulcken te werken. Ook nu komt Dulcken met 25 gulden als pandkering waardoor de inbeslagname niet doorgaat.
Een jaar later kan hij de in de winter geleverde turf niet betalen. Telkens moet hij uitstel van betaling vragen. De mensen vertrouwen er niet meer op dat hij zijn beloftes kan waarmaken. Ze zijn boos en er gaan verhalen over hem rond. Hij wordt op straat nageroepen en uitgescholden.
Zou Dulcken zich de situatie van zijn vader Daniël nog herinneren? Hoe deze 35 jaar geleden hetzelfde heeft meegemaakt in Maastricht? Hoe moeilijk het is om als klavecimbelbouwer het hoofd boven water te houden?

1767
Met minachting bejegend worden hoort erbij. Zo ook op 6 februari 1767. Dulcken zit in de herberg van waard Willem Buysman wanneer hij aangevallen wordt door Paul van Veen, uitbater van logement de Herderin. Deze verwijt Dulcken dat hij hem nog 40 gulden schuldig is. Hij grijpt Dulken bij zijn jas en schreeuwt dat hij een bedrieger, schelm, schoelje, een schurk en jakhals is en dat hij eropuit is om mensen te bedriegen. Paul schreeuwt zo hard dat dit buiten door de stadswachten wordt opgemerkt. Die stappen naar binnen om te kijken wat er aan de hand is. Dulcken doet met hulp van dhr. Grevensteijn aangifte bij de magistraat vanwege belediging. Hij voelt zich in zijn eer en goede naam aangetast. De stadswachten worden als getuigen opgeroepen. Dulcken doet eerst een poging om via bemiddeling van ’twee goede mannen‘ de zaak in der minne schikken. Paul van Veen weigert, waarna de advocaat van Dulcken hem een proces aanspant met de eis van 100 ducaten smartengeld. Dit proces loopt door tot minstens maart 1768.

Omdat de verkoop van klavecimbels waarschijnlijk niet zo vlot verloopt, moet Dulcken geld lenen. Zo leent hij op 12 februari 50 gulden van Abraham Amthuijsen; een glazenzetter/ schilder waar Dulcken op goede voet mee staat. Op 15 september leent hij nog een keer 200 gulden van hem.

Dulcken gaat op 19 oktober 1767 naar de Herderin, de herberg op de hoek van de Markt en de Hoogstraat, om aan Van Veen de veertig ducaten te betalen. In de gelagkamer merkt hij dat de houding van verschillende aanwezigen ronduit vijandig is. ’Breek hem de benen’ wordt er geroepen. Dulcken vraagt om een vuurtje voor zijn pijp en gaat daarna snel naar de voorkamer waar de toonbank staat om aan Van Veens vrouw het geld te overhandigen. In de gang wordt hij achtervolgd door Joan van der Meulen, een jongeman die hem kortgeleden al tweemaal op straat heeft uitgescholden. Joan roept hem iets toe waarna Dulcken zich half omdraait. Joan stompt hem daarop met volle vuist in het gezicht. Dulcken valt tegen de toonbank aan waarna Joan hem nog meer vuistslagen geeft. De vader van Joan komt op het hulpgeroep van Dulcken af en trekt zijn zoon bij hem vandaan. Met een bebloed gezicht, bont en blauw geslagen, verlaat Dulcken de herberg. Hij moet zich bij de chirurgijn laten behandelen en kan veertien dagen niet werken. Opnieuw dienen zijn advocaten een aanklacht bij de magistraat in; getuigen worden gehoord en er wordt weer 100 ducaten smartengeld geëist. Een half jaar later protesteert Joan hier alsnog tegen en zegt dat Dulcken begonnen is. Helaas missen veel archiefstukken tussen 1769 - 1770 waardoor niet bekend is hoe dit is afgelopen.

1768
Op 26 april is het een drukte van belang op het stadhuis. In de vroege morgenuren heeft advocaat Waterham, met behulp van de sterke arm,
twee klavecimbels in beslag genomen bij Dulcken en naar het raadhuis gebracht. Dit gaat als een lopend vuurtje door Hasselt. Als snel meldt zich A. Breman met een rekening voor Dulcken van 10 gulden en 7 stuivers. Even later verschijnen luitenant Runhard en bevelhebber Egbert Heisman van de manhaftige krijgsraad met een rekening van 25 gulden en 10 stuivers. Ook zij willen meedelen in de opbrengst van de verkoop van de klavecimbels. Vervolgens komt Tede de Vries met het verzoek of de klavecimbels snel teruggebracht kunnen worden, omdat hij ze net heeft gekocht en ook al betaald. Hij laat daarbij een kwitantie zien om zijn verzoek kracht bij te zetten. De magistraat is volkomen in verwarring.

Op 29 april moet Dulcken op het stadhuis verschijnen om te bevestigen dat hij schulden heeft bij Tede de Vries, huurbaas van het kleine pand.
Het totale bedrag is opgelopen tot 513 gulden en 17 stuivers. Louis Dulcken bevestigt bij de magistraat dat dit inderdaad zijn schulden zijn.
Daarnaast heeft hij nog de volgende schulden

  • Een schuld van 120 gulden en 10 stuivers bij Albert Berend van der Werff voor geleverde slachtdieren en een varken (waarschijnlijk over meerdere jaren verspreid)

  • een schuld van 25 gulden en 10 stuivers bij de krijgsraad, omdat hij twee jaar geen tuinhuur en trommelgeld heeft betaald

  • Een schuld van 54 gulden en 4 stuivers bij R. Metelenkamp voor geleverde houtwaren om klavecimbels te bouwen

Nu De Vries de klavecimbels heeft gekocht, kan Dulcken in één keer alle schulden aflossen. Ook de loonschuld bij Ernst Johan Tappe kan hij enige tijd later aflossen. Hij heeft nog geld over, want op 31 mei 1768 koopt hij van de erfgenamen van dhr. Van Zuylen bij een publieke veiling voor 52 gulden een grote tuin achter de Wal. Ook heeft hij nog 59 gulden tegoed van mevrouw Margaretha Poortener, die in het voorjaar een klavecimbel heeft gekocht en nog niet heeft betaald.
Maar het geld is zo weer op. Eind september klopt Dulcken weer bij Abraham Amthuijzen aan. Hij heeft geen geld om turf te kopen. Abraham leent hem 30 gulden, maar omdat hij zelf dat geld ook niet heeft, geeft hij goederen in pand bij de bank van lening. En op 14 november koopt Dulcken een ’slagtbeest’ bij Salomon Abrahams voor 73,00. Omdat hij dat niet kan betalen staat Amthuijzen borg. Zo lopen de schulden snel op.



Onenigheid om de tuin

Stukken betreffende het verzoek van J.L. Dulken aan Ridderschap en Steden om een gesurrogeerd gericht te bekomen in zijn zaak tegen de burgerkrijgsraad over het zetten van een schutting wegens de partijdigheid van het stadsgericht van Hasselt,1770-1772.


Stukken : J.L. Dulken eiser contra H. Bode, als president van de burger brugsraad te Hasselt gedaagde eis tot wegnemen van een schutting door gedaagde geplaatst op grond den eiser toebehoorende door eiser wordt van eene deze zaak betreffende resolutie van het stadgericht Hasselt, geappelleerd aan het stadgericht Deventer  (1771-1773)


Achter het huis van Dulcken en de naastgelegen panden van de krijgsraad ligt een gezamenlijke grote tuin. De scheiding tussen zijn tuin en die van de krijgsraad is met een paar paaltjes afgezet. Omdat Dulcken maar een kleine tuin achter zijn pand heeft, huurt hij een gedeelte van de tuin van de buren, dat hij gebruikt als groentetuin. In de loop van 1770 zet Dulcken meerdere paaltjes op de erfscheiding, dit tot ongenoegen van de krijgsraad die vindt dat Dulcken een stuk tuin van hem in bezit neemt. De krijgsraad beweert dat de erfscheiding in het verleden anders liep en eist dat Dulcken maar moet bewijzen dat hij recht heeft op dat stukje tuin.
Op 4 september 1770 roept Dulcken de hulp van de verwalter hoogschout Grevensteijn in. Ook wordt B. Van Hattum als advocaat ingeschakeld en samen dienen zij een klacht in bij de magistraat. Dezelfde dag wordt Dulcken door de krijgsraad op het matje geroepen. Hem wordt verweten dat hij aan landjepik doet. Dulcken antwoordt dat hij kan bewijzen dat de scheiding zoals hij heeft aangegeven de werkelijke scheiding is. Wanneer de krijgsraad onder leiding van kolonel Bode op dezelfde avond bij elkaar komt om de kwestie te bespreken, wordt luitenant Van Zuijlen en vaandrig
Exalto D’Almeras als zijn vertegenwoordiger benoemd. Deze laatste is secretaris van de magistraat.
Vier dagen later vindt er een getuigenverhoor plaats. Dhr. Grevensteijn, als verwalter hoogschout verhoort, in aanwezigheid van twee keurnoten, leden van de magistraat, de vorige ‘eigenaar’ van het pand van de krijgsraad, cornet H. Guldener. Deze moet toegeven dat de grens die Dulcken heeft getrokken, de grens is zoals in 1755 bij verkoop van het pand is aangegeven.
Op 10 september zet de krijgsraad een schutting op de plek waar volgens hem de scheiding tussen de tuinen loopt. De magistraat wil de klacht van Dulcken niet in behandeling nemen, voordat Dulcken met het koopcontract op de proppen komt. Maar Dulcken heeft het de druk met de verkoop van klavecimbels. Hij is enkele weken in Groningen.
Tijdens zijn afwezigheid wordt er in de werkplaats door zijn knechten gewoon doorgewerkt en wordt de ene na de andere klavecimbel gebouwd.
Op 15 april 1771 doet Dulcken een tweede poging en stuurt een uitgebreide klacht naar de magistraat. Deze stuurt de klacht door aan kolonel Bode van de krijgsraad. De krijgsraad vergadert een week later en besluit de twee leden die zich hiermee bezighouden alle rechten te geven om namens de krijgsraad de zaak af te handelen. De magistraat wordt op de hoogte gesteld van dit besluit. Aan Dulcken wordt meegedeeld dat hij eerst met het koopcontract moet komen, voordat er recht gesproken kan worden.
Grevensteijn en Van Hattum willen nu snel handelen. Op 1 mei komt Van Hattum een van de burgemeesters op de Markt tegen en vraagt of er ‘s middags vergadert kan worden, zodat Dulcken zijn klacht mondeling kan toelichten. De burgemeester verzet zich hiertegen. Een week later stuurt Grevensteijn een brief aan de gedeputeerden van de Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel. Grevensteijn is verwalter hoogschout en kan in die functie een beroep doen op de Ridderschap en Steden, met het verzoek om recht te spreken in dit conflict. De zaak wordt neergelegd bij het Stadsgericht van Deventer. Advocaat Van Hattum schrijft een nota onder de titel: ’Grieven van Appel en nulliteiten’ waarin hij de situatie uitlegt. Hij noemt de magistraat partijdig en vooringenomen. Hij is er niet mee eens dat Dulcken niet de kans heeft gekregen zich te verweren doordat de magistraat hem niet wil ontvangen. De magistraat kiest partij ’zonder dat men hem vergunt zijn belangen daartegen in te brengen. ‘ t welk nogtans aan de slimste boosdoener niet geweigerd wordt’. Het is ongehoord dat een rechter recht spreekt zonder ondervraging. Van Hattum haalt een voorbeeld uit de Bijbel aan om zijn woorden kracht bij te zetten. ‘De Soeverein aller soevereinen en Richter der gantschen aarde, die recht doet een voor wiens oogen alles naakt en klaar is, heeft zulks in zijn allereerste gerigtsoeffening (Genesis 3) met zijn allerheiligst voorbeeld gestaafd, ende het sal ook gestaafd worden in het laatste oordeel ten jongsten dagen’ (Matth. 12 vers 36). Het Stadsgericht Deventer vraagt bij de magistraat om opheldering.
Van Hattum heeft twaalf kantjes nodig om het appel op papier te zetten. Advocaat Sandberg, die namens de magistraat een antwoord op dit appel schrijft, heeft 120 kantjes nodig. Hij beschrijft uitvoerig de ontstane situatie. De verwalter hoogschout had het recht niet om bij de Staten in beroep te gaan. De stad Hasselt heeft haar eigen rechtsorde en die mag niet ondermijnd worden. Met tal van Latijnse wetsteksten en voorbeelden uit het verleden probeert hij te bewijzen dat dit appel nergens op gebaseerd is. Zijn eindconclusie is dat het Stadsgericht Deventer het appel zonder het te behandelen terug moet sturen. Daarna ligt het proces anderhalf jaar stil. De magistraat antwoordt niet en ook zijn er geen brieven van Grevensteijn bekend. Wel verschijnen Dulcken en Grevensteijn regelmatig op de vergadering van de magistraat om de zaak warm te houden, maar zonder enig resultaat. Pas midden 1772 komt er weer beweging in de zaak.


Dulcken laat zich door dit alles niet uit het veld slaan. Hij richt in het voorjaar zijn groentetuin weer in en plant de zomergroenten.
Op 5 juli 1771 komt de krijgsraad bijeen om te praten over de werkzaamheden van Dulcken in zijn achtertuin. De kolonel brengt ter vergadering: ‘dat L Dulcken de grond toebehorende aan de hoff van de Krijgsraad hadden gepoot met koolplanten’. De advocaat adviseert de koolplanten die: ’op de grond van de krijgsraad gepoot zijn weder uit te rooien zullen‘.
ZIE SCAN Daarna zal er weer een lijn tussen de twee bakens getrokken worden. Staan er dan nog koolplanten op de verkeerde plek, dan zullen die er uitgetrokken worden.


Het soevereine Hasselter stadsbestuur.

De magistraat in Hasselt bestaat uit vier burgemeesters en vier raden. Elke maand is er een rechtsdag waarop twee burgemeesters rechtspreken. Ze maken gebruik van een stadsdienaar, een bode, ook wel roedendrager genoemd, om dagvaardingen te bezorgen bij burgers die voor het gerecht moeten verschijnen. Als teken van waardigheid draagt de roedendrager een prachtige ketting.
Ongewild komt Dulcken terecht in een conflict tussen de magistraat van Hasselt en de Ridderschap en Steden, de Staten van Overijssel. De magistraat neemt het Dulcken en Grevensteijn kwalijk dat ze in beroep gaan bij de Staten. Hasselt maakt namelijk aanspraak op een volledige autonome rechtspleging. Zelfstandig kan de magistraat rechtspreken in civiele en criminele zaken. Er bestaat geen recht van appel. Zelfs in kerkelijke zaken heeft de magistraat macht en invloed. Er is altijd een van de burgemeesters ouderling en zelfs de benoeming van ouderlingen en predikanten behoeft de instemming van de magistraat. Zo is Exalto D’Almeras, de secretaris van het stadsbestuur, ook ouderling in de kerk en vaandrig in de krijgsraad.
De magistraat beschermt zijn rechten en verwijt de Staten dan ook dat zij ingegaan zijn op het verzoek van Dulcken om recht te spreken. Hij eist dat ze daarmee stoppen en de rekening voor werkzaamheden naar Dulcken sturen. Daarom duurt het ook zolang voordat er een antwoord aan de Staten gestuurd wordt. Ze erkennen de tussenkomst van de Staten niet.


Scherm­afbeelding 2024-01-25 om 14.08.26
De ketting van de roedendrager.


Grevensteijn

Abraham Ursinus Grevensteijn speelt een belangrijke rol in het leven van Louis Dulcken. Hij wordt geboren op 12 oktober 1707 in Leeuwarden in een familie van predikanten en medici, en wordt in 1733 een van de burgemeesters van Hasselt. Daarna wordt hij verwalter hoogschout van Hasselt en het Hasselter ambt. Een verwalter hoogschout wordt door de Staten van Overijssel. De magistraat wordt benoemd door de invloedrijkste families binnen Hasselt die elkaar de mooiste baantjes toeschuiven. Ook tussen de leden van de krijgsraad en de magistraat zitten nauwe familiebanden.

Krijgsraad

De krijgsraad in Hasselt is al een oud instituut. Het is een soort plaatselijke garde die zorgt voor de veiligheid. Nachtwakers gaan elke nacht op pad en controleren op ongewenste vreemdelingen, landlopers, en ander gespuis dat de stad ‘s nachts onveilig kan maken. Ook letten ze op open vuur, brandstichting en inbraak. Alle inwoners moeten aan deze burgerwacht meedoen. Om ontheffing te kunnen krijgen van dit werk moet men geld betalen, het zogenaamde trommelgeld. Vooral weduwen betalen dit geld om maar geen wacht te hoeven lopen. Dulcken koopt het wachtlopen ook af. Dat kost elk jaar een gulden en een stuiver.
De leiding van de burgerwacht ligt in handen van een kolonel; verder heb je vaandrigs, sergeanten en andere leidinggevenden, erebaantjes waar vooral de rijken in Hasselt op belust zijn.

Kwaadaardige laster I

In het voorjaar van 1771 wordt Dulcken met een nieuw probleem geconfronteerd. Een lid van het soldatengarnizoen in Hasselt, cornet van Guldener verspreidt kwaadaardige laster. Overal in Hasselt duikt dit op. Ook de magistraat hoort ervan en via burgemeester Heisman wordt op 11 mei advies gevraagd bij advocaat R. Sandberg te Zwolle. Hoe hiermee te handelen? Sandberg wil graag alles op papier hebben, zodat hij een advies kan uitbrengen. Een dag later krijgt hij de informatie van de magistraat. Op 18 mei geeft hij het advies om de commandant van het garnizoen van de zaak op de hoogte te stellen, omdat het verspreiden van deze laster veel beroering geeft in Hasselt. Maar blijkbaar wordt er daarna weinig actie ondernomen.
Dulcken is op dat moment in Groningen om klavecimbels te verkopen.

Op 22 september slaat de vlam in de pan. In de herberg van Jan Mansvelt zit een groot aantal personen en het gesprek komt op Dulcken. Twee personen, Hendrik Tracy de Wilde en officier Hendrik Stuijlen verspreiden de laster waar Guldener mee begonnen is als zijnde waar. Wat eerst in achterkamertjes werd verteld, wordt nu in aanwezigheid van veel personen in het openbaar verkondigd. Een aantal toehoorders is ontzet.
De volgende dag wordt aan Dulcken, die net terug is uit Amsterdam, vertelt wat er is gebeurd. Ook de magistraat is het ter ore gekomen en stuurt stadssecretaris Exalto D’Almaras nog dezelfde dag naar Zwolle om overleg te plegen met advocaat Sandberg. De commandant van het garnizoen wordt eveneens op de hoogte gesteld. Vanwege de ernst van de situatie wil de commandant de stadhouder op de hoogte stellen, omdat het om zijn ondergeschikten gaat. Sandberg vindt dat geen goed idee. Ondertussen heeft de commandant van het garnizoen Guldener bij zich geroepen voor een verhoor om te weten te komen op welke gronden Guldener deze laster verspreidt. Guldener geeft geen opening van zaken.
Op 1 oktober hoort Dulcken dat officier Stuijlen, betrokkene in het conflict, op het punt staat om met de veerboot richting Amsterdam te vertrekken om vandaar naar Oost-Indië te reizen. Hij vraagt de magistraat om Stuijlen direct te arresteren, zodat er een proces tegen hem kan worden aangespannen. De magistraat reageert niet en laat de officier ontsnappen. Waarschijnlijk is de magistraat blij om Hendrik Stuijlen kwijt te zijn. Een jaar eerder had deze ook al voor onrust gezorgd, was smoordronken uit een herberg gehaald en de magistraat had zelfs bij hem huiszoeking gedaan en documenten in beslag genomen. Ook toen waren De Wilde en Guldener erbij betrokken. Door het vertrek van Stuijlen wordt het voor Dulcken wel onmogelijk om een klacht tegen hem in te dienen.

Scherm­afbeelding 2025-06-11 om 09.23.10
Scherm­afbeelding 2025-06-11 om 09.22.11



Dulcken doet op 8 oktober via zijn advocaat Van Grevensteijn
aangifte tegen De Wilde wegens kwaadaardige laster.

sodomiet


De eis is dat de Wilde in het openbaar erkent dat hij verkeerd heeft gehandeld door leugens te verspreiden, waardoor de goede naam en eer van Dulcken is geschaad. Ook wordt er 1000 ducaten als schadeloosstelling geëist. De aangifte wordt vergezeld van een verslag van een getuigenverhoor. Vier getuigen, caféhouder J. Mansvelt, J. Noest, commies G. Bax en J. Bode, bevestigen op 25 september wat drie dagen eerder is gebeurd.
Advocaat Sandberg krijgt deze aangifte in handen en schrijft in een notitie zijn mening hierover. De magistraat moet Guldener verhoren om te proberen te achterhalen wat de aanleiding voor deze lasterpraat is. Ook dat levert niets op. Namens de magistraat overlegt Exalto D’Almaras op verschillende tijdstippen met de advocaat.
De Wilde heeft de advocaten Waterham uit Hasselt en R. Sandberg uit Zwolle in de arm genomen om hem tegen de aanklacht van Dulcken te verdedigen. Dit betekent een dubbelrol voor Sandberg. Hij adviseert de magistraat in deze zaak en is tevens advocaat van de verdachte. De magistraat is hierdoor niet meer onafhankelijk, maar in deze zaak partij geworden.
Op 5 november moet Dulcken op het raadhuis komen, omdat De Wilde een proces tegen hem aanspant. Sandberg komt met het volgende verhaal. In het voorjaar van 1770 komt Dulcken bij De Wilde omdat hij geldproblemen heeft. Hij wil geld lenen, maar De Wilde heeft geen geld. De Wilde geeft hem twee gouden horloges mee die Dulcken bij de Bank van Lening in Zwolle in pand kan geven in ruil voor geld. Dulcken komt met 112 gulden terug uit Zwolle, houdt er zelf 100 van en geeft De Wilde 12 gulden. Hij belooft de horloges snel weer uit Zwolle op te halen, maar dit gebeurt niet. Ten slotte moet De Wilde de horloges zelf terugkopen met zijn eigen geld. Nu twee jaar later eist De Wilde zijn 100 gulden terug, verhoogd met rente en andere kosten.