







Het document betreft een juridische klacht (een rekwest of petitie) uit 1750 van de bekende klavecimbelbouwer Joannes Daniel Dulcken (hier geschreven als jan Daniel Dulcken) tegen een zekere Walter Schot, die twee van zijn klavecibels heeft meegenomen naar Londen en deze niet heeft betaald.
Modern Nederlands
[Pagina 1] Toont eerbiedig aan Jan Daniel Dulcken, inwoner van deze stad, dat hij in het afgelopen jaar 1749 is vertrokken van Oostende naar Londen in Engeland, met zich meenemende twee klavecibels, met het maken waarvan hij in deze stad zijn kost verdient. Dat de verzoeker, in gezelschap van Walter Schot (wonende binnen deze stad), van het voornoemde Oostende is vertrokken naar het voornoemde Londen. Dat de verzoeker, in Londen aangekomen, is gaan logeren in het huis van Johan Schuppe, een hotelier aldaar, waar de voornoemde twee klavecibels van de verzoeker ook naartoe zijn gebracht, waarna de verzoeker Walter Schot daar ook is komen logeren. Dat de voornoemde Walter Schot op 15 januari 1750 (volgens de oude stijl) de voornoemde twee klavecibels van de verzoeker heeft gekocht voor de som van vijftig pond sterling. Waarna de verzoeker naar deze landen is teruggekeerd en de genoemde Walter Schot in Londen is gebleven. Het is de waarheid dat deze zelfde Walter Schot een van de voornoemde klavecibels heeft verkocht voor vijftien guinees aan de voornoemde Joan Schuppe, waarna Schot aan deze Joan Schuppe een kwitantie van betaling heeft gegeven. Het is ook de waarheid dat, toen de verzoeker zich dit jaar 1750 door de genoemde Schot [benadeeld] vond, deze is gedagvaard bij de Kleine Kalle alhier tot betaling van een openstaande vordering en verschillende leveringen en voorschotten. Vanwege de ziekte van de verzoeker zijn diens echtgenote en de klerk van de procureur die de zaak vervolgt, op de voornoemde Kleine Kalle verschenen. Aldaar is de genoemde Schot ter zitting verschenen voor de heer oud-burgemeester en de dienstdoende schepenen Deltafaille en de heer griffier Vinck als commissarissen. In het bijzijn van de voornoemde heren heeft hij openlijk bekend dat hij de voornoemde klavecibels had verkocht. Van deze verkoop blijkt bovendien overvloedig uit de brief die hier is bijgevoegd in een vertaling uit de Hoogduitse taal, waarvan het origineel hier ter griffie in bewaring wordt gegeven. Ook de informatie van de verzoeker toont aan dat de genoemde Walter Schot het andere...
[Pagina 2] ...klavecimbel heeft bezwaard met een geldsom die hij daarop heeft geleend. Zodoende heeft hij zich daar volledig meester van gemaakt en blijft hij desondanks in gebreke om aan de verzoeker betaling te leveren. Om die reden wendt de verzoeker zich tot uw edele heren, ootmoedig biddend dat het u gelieft de voornoemde Walter Schot te bevelen en, indien nodig, hem te veroordelen om aan de verzoeker onmiddellijk de voornoemde vijftig pond sterling te overhandigen en te betalen wegens de verkoop, met de rente daarvan naar rato van vier procent per jaar tot aan de volledige betaling, inclusief althans vanaf het moment dat het proces is aangespannen, of anderszins, onder een heilzame clausule, met de proceskosten enz.
Marginale aantekeningen / Besluit: Toegewezen aan jonkheer Petrus Anthonius Wellens, oud-burgemeester, om het feit te onderzoeken enz. 12 juni 1750. (w.g.) J.F. van Ean.
Daarna, gehoord het rapport van de voornoemde heer commissaris, bevelen mijn heren om dit mee te delen aan de partijen om hiertegen in het verweer te komen of stukken in te dienen binnen acht dagen na de mededeling, en schorten de werking hiervan op. Gedaan op 15 juni 1750. (w.g.) J.J. Vinck.

[Page 1] Respectfully shows Jan Daniel Dulcken, inhabitant of this city, that in the past year 1749 he departed from Ostend for London in England, taking with him two harpsichords, by the making of which he earns his living in this city. That the petitioner, in the company of Walter Schot (residing within this city), departed from the aforementioned Ostend for the aforementioned London. That the petitioner, having arrived in London, went to lodge at the house of Johan Schuppe, an innkeeper there, where the aforementioned two harpsichords of the petitioner were also brought, after which the petitioner Walter Schot also came to lodge there. That the aforementioned Walter Schot, on January 15, 1750 (Old Style), purchased the aforementioned two harpsichords from the petitioner for the sum of fifty pounds sterling. Whereupon the petitioner returned to these lands and the said Walter Schot remained in London. It is the truth that this same Walter Schot sold one of the aforementioned harpsichords for fifteen guineas to the aforementioned Joan Schuppe, for which Schot gave a receipt of full payment to the said Joan Schuppe. It is also the truth that, when in this year 1750 the petitioner found himself aggrieved by the said Schot, Schot was summoned to the Kleine Kalle here for the payment of a claim and various deliveries and advances. Due to the illness of the petitioner, his wife and the clerk of the prosecutor pursued the matter and appeared at the aforementioned Kleine Kalle. There, the said Schot appeared at the session before the former Mayor and the serving Magistrates Deltafaille and the Secretary Mr. Vinck, acting as commissioners. In the presence of the aforementioned gentlemen, he openly confessed that he had sold the aforementioned harpsichords. This sale is further abundantly demonstrated by the letter attached hereto, translated from the High German language, the original of which is deposited here at the registry. The information from the petitioner also shows that the said Walter Schot has encumbered the other...
[Page 2] ...harpsichord with a sum of money he borrowed against it. Thus, he made himself completely master of it, and nevertheless remains in default of making payment to the petitioner. For which reason the petitioner turns to your Honors, humbly praying that you please order the aforementioned Walter Schot, and if necessary condemn him, to promptly hand over and pay to the petitioner the aforementioned fifty pounds sterling for the sale, with interest thereon at the rate of four percent per year until full satisfaction, including at least from the time the lawsuit was initiated, or otherwise, under a saving clause, with costs, etc.
Marginal Notes / Decrees: Referred to Squire Petrus Anthonius Wellens, former Mayor, to investigate the facts, etc. June 12, 1750. (sig.) J.F. van Ean.
Thereafter, having heard the report of the aforementioned Lord Commissioner, my Lords order this to be communicated to the parties to respond or file pleadings within eight days after communication, and suspend proceedings in the meantime. Done June 15, 1750. (sig.) J.J. Vinck.

[Seite 1] Trägt ehrerbietig vor Jan Daniel Dulcken, Einwohner dieser Stadt, dass er im vergangenen Jahr 1749 von Ostende nach London in England gereist ist und zwei Cembali mit sich führte, mit deren Herstellung er in dieser Stadt seinen Lebensunterhalt verdient. Dass der Antragsteller in Begleitung von Walter Schot (wohnhaft in dieser Stadt) vom besagten Ostende nach dem besagten London gereist ist. Dass der Antragsteller, in London angekommen, im Hause von Johan Schuppe, einem dortigen Gastwirt, Quartier nahm, wohin auch die besagten zwei Cembali des Antragstellers gebracht wurden, woraufhin der Antragsteller Walter Schot dort ebenfalls Quartier bezog. Dass der besagte Walter Schot am 15. Januar 1750 (alten Stils) die besagten zwei Cembali vom Antragsteller für die Summe von fünfzig Pfund Sterling gekauft hat. Woraufhin der Antragsteller in diese Länder zurückkehrte und der besagte Walter Schot in London blieb. Es entspricht der Wahrheit, dass derselbe Walter Schot eines der besagten Cembali für fünfzehn Guineen an den besagten Joan Schuppe verkauft hat, worüber Schot dem besagten Joan Schuppe eine Quittung über die vollständige Zahlung ausstellte. Es entspricht auch der Wahrheit, dass, als der Antragsteller sich in diesem Jahr 1750 durch den besagten Schot geschädigt sah, dieser vor die Kleine Kalle hier geladen wurde zur Zahlung einer Forderung sowie verschiedener Lieferungen und Vorschüsse. Wegen einer Erkrankung des Antragstellers erschienen dessen Ehefrau sowie der Schreiber des Prokurators, der die Sache verfolgt, vor der besagten Kleine Kalle. Dort erschien der besagte Schot zur Sitzung vor dem Herrn Altbürgermeister und den Dienst tuenden Schöffen Deltafaille sowie dem Herrn Stadtschreiber Vinck als Kommissaren. Vor den besagten Herren gestand er öffentlich, dass er die besagten Cembali verkauft hatte. Dieser Verkauf geht zudem überaus deutlich aus dem hier beigefügten Brief hervor, der aus der hochdeutschen Sprache übersetzt wurde und dessen Original hier in der Kanzlei hinterlegt ist. Auch die Informationen des Antragstellers zeigen, dass der besagte Walter Schot das andere...
[Seite 2] ...Cembalo mit einer Geldsumme belastet hat, die er darauf geliehen hat. So hat er sich vollständig zum Herrn darüber gemacht und bleibt dennoch im Verzug, dem Antragsteller Genugtuung (Zahlung) zu leisten. Aus diesem Grund wendet sich der Antragsteller an Eure Ehren und bittet demütig, dem besagten Walter Schot zu befehlen und ihn, falls nötig, zu verurteilen, dem Antragsteller unverzüglich die besagten fünfzig Pfund Sterling für den Verkauf zu erstatten und zu zahlen, nebst Zinsen in Höhe von vier Prozent pro Jahr bis zur vollständigen Bezahlung, zumindest ab dem Zeitpunkt der Rechtshängigkeit, oder andernfalls unter einer heilsamen Klausel, mit den Prozesskosten usw.
Marginalien / Beschluss: Überwiesen an den Junker Petrus Anthonius Wellens, Altbürgermeister, zur Untersuchung des Sachverhalts usw. 12. Juni 1750. (gez.) J.F. van Ean.
Nach Anhörung des Berichts des besagten Herrn Kommissars ordnen meine Herren an, dies den Parteien mitzuteilen, um hiergegen innerhalb von acht Tagen nach der Mitteilung Einspruch zu erheben oder Schriftsätze einzureichen, und setzen das Verfahren einstweilen aus. Gegeben am 15. Juni 1750. (gez.) J.J. Vinck.
Foundation Musick's Monument