Kwaadaardige laster I
In het voorjaar van 1771 wordt Dulcken met een nieuw probleem geconfronteerd. Een lid van het soldatengarnizoen in Hasselt, cornet van Guldener verspreidt kwaadaardige laster. Overal in Hasselt duikt dit op. Ook de magistraat hoort ervan en via burgemeester Heisman wordt op 11 mei advies gevraagd bij advocaat R. Sandberg te Zwolle. Hoe hiermee te handelen? Sandberg wil graag alles op papier hebben, zodat hij een advies kan uitbrengen. Een dag later krijgt hij de informatie van de magistraat. Op 18 mei geeft hij het advies om de commandant van het garnizoen van de zaak op de hoogte te stellen, omdat het verspreiden van deze laster veel beroering geeft in Hasselt. Maar blijkbaar wordt er daarna weinig actie ondernomen.
Dulcken is op dat moment in Groningen om klavecimbels te verkopen.
Op 22 september slaat de vlam in de pan. In de herberg van Jan Mansvelt zit een groot aantal personen en het gesprek komt op Dulcken. Twee personen, Hendrik Tracy de Wilde en officier Hendrik Stuijlen verspreiden de laster waar Guldener mee begonnen is als zijnde waar. Wat eerst in achterkamertjes werd verteld, wordt nu in aanwezigheid van veel personen in het openbaar verkondigd. Een aantal toehoorders is ontzet.
De volgende dag wordt aan Dulcken, die net terug is uit Amsterdam, vertelt wat er is gebeurd. Ook de magistraat is het ter ore gekomen en stuurt stadssecretaris Exalto D’Almaras nog dezelfde dag naar Zwolle om overleg te plegen met advocaat Sandberg. De commandant van het garnizoen wordt eveneens op de hoogte gesteld. Vanwege de ernst van de situatie wil de commandant de stadhouder op de hoogte stellen, omdat het om zijn ondergeschikten gaat. Sandberg vindt dat geen goed idee. Ondertussen heeft de commandant van het garnizoen Guldener bij zich geroepen voor een verhoor om te weten te komen op welke gronden Guldener deze laster verspreidt. Guldener geeft geen opening van zaken.
Op 1 oktober hoort Dulcken dat officier Stuijlen, betrokkene in het conflict, op het punt staat om met de veerboot richting Amsterdam te vertrekken om vandaar naar Oost-Indië te reizen. Hij vraagt de magistraat om Stuijlen direct te arresteren, zodat er een proces tegen hem kan worden aangespannen. De magistraat reageert niet en laat de officier ontsnappen. Waarschijnlijk is de magistraat blij om Hendrik Stuijlen kwijt te zijn. Een jaar eerder had deze ook al voor onrust gezorgd, was smoordronken uit een herberg gehaald en de magistraat had zelfs bij hem huiszoeking gedaan en documenten in beslag genomen. Ook toen waren De Wilde en Guldener erbij betrokken. Door het vertrek van Stuijlen wordt het voor Dulcken wel onmogelijk om een klacht tegen hem in te dienen.
Dulcken doet op 8 oktober via zijn advocaat Van Grevensteijn aangifte tegen De Wilde wegens kwaadaardige laster. De eis is dat de Wilde in het openbaar erkent dat hij verkeerd heeft gehandeld door leugens te verspreiden, waardoor de goede naam en eer van Dulcken is geschaad. Ook wordt er 1000 ducaten als schadeloosstelling geëist. De aangifte wordt vergezeld van een verslag van een getuigenverhoor. Vier getuigen, caféhouder J. Mansvelt, J. Noest, commies G. Bax en J. Bode, bevestigen op 25 september wat drie dagen eerder is gebeurd.
Advocaat Sandberg krijgt deze aangifte in handen en schrijft in een notitie zijn mening hierover. De magistraat moet Guldener verhoren om te proberen te achterhalen wat de aanleiding voor deze lasterpraat is. Ook dat levert niets op. Namens de magistraat overlegt Exalto D’Almaras op verschillende tijdstippen met de advocaat.
De Wilde heeft de advocaten Waterham uit Hasselt en R. Sandberg uit Zwolle in de arm genomen om hem tegen de aanklacht van Dulcken te verdedigen. Dit betekent een dubbelrol voor Sandberg. Hij adviseert de magistraat in deze zaak en is tevens advocaat van de verdachte. De magistraat is hierdoor niet meer onafhankelijk, maar in deze zaak partij geworden.
Op 5 november moet Dulcken op het raadhuis komen, omdat De Wilde een proces tegen hem aanspant. Sandberg komt met het volgende verhaal. In het voorjaar van 1770 komt Dulcken bij De Wilde omdat hij geldproblemen heeft. Hij wil geld lenen, maar De Wilde heeft geen geld. De Wilde geeft hem twee gouden horloges mee die Dulcken bij de Bank van Lening in Zwolle in pand kan geven in ruil voor geld. Dulcken komt met 112 gulden terug uit Zwolle, houdt er zelf 100 van en geeft De Wilde 12 gulden. Hij belooft de horloges snel weer uit Zwolle op te halen, maar dit gebeurt niet. Ten slotte moet De Wilde de horloges zelf terugkopen met zijn eigen geld. Nu twee jaar later eist De Wilde zijn 100 gulden terug, verhoogd met rente en andere kosten.
Gevangengezet
Ondertussen spelen er ook andere zaken. Op 23 november 1771 neemt Abraham Amthuijzen advocaat R. Sandberg in de arm en deze vraagt beslaglegging (panding) op een aantal klavecimbels uit de werkplaats van Dulcken. Het blijkt dat Dulcken nog niets heeft terugbetaald van zijn schuld uit 1767. Hij staat nog steeds 250 gulden in het rood. Op 27 november komt de roedendager bij Dulcken om te zeggen dat hij op 2 december op het raadhuis moet verschijnen om zich te verantwoorden.
Dulcken komt direct in akte. Hij vraagt Grevensteijn en Van Dingstee om pandkering aan te vragen om inbeslagname van zijn klavecimbels te voorkomen. Zij sturen een brief aan de magistraat met de vraag om welke instrumenten het gaat; de instrumenten die klaar staan om afgeleverd te worden bij de koper, de klavecimbels die in aanbouw zijn of de klavecimbels die in reparatie zijn gegeven. Ze kunnen niet zomaar verkocht worden, omdat er eigenaars zijn die op de instrumenten wachten. Op 2 december wordt Tede de Vries als borg voorgedragen. De pandkering wordt voorlopig aanvaard en op 20 december laat Tede de Vries weten dat hij officieel borg voor Dulcken is.
Helaas voor Dulcken, maar Amthuijzen neemt daarmee geen genoegen. Op 3 januari 1772 komt de roededrager opnieuw bij Dulcken aan de deur en verzoekt hem om 7 januari op het raadhuis te verschijnen. Hij krijgt de boodschap mee dat er binnen veertien dagen betaald moet worden met geld, of anders zal na zes weken inbeslagname plaatsvinden.
Ook de advocaten van De Wilde nemen geen genoegen met Dulckens houding en eisen alsnog panding van enkele klavecimbels.
De sfeer tussen Dulcken / Grevensteijn en de magistraat/ Exalto D’Almaras is ondertussen uiterst gespannen. Dulcken uit zijn boosheid bij een van de burgemeesters. Daarvan is de burgemeester niet van gediend. De magistraat laat daarop Dulcken oppakken en in de gevangenis zetten. Dit gebeurt waarschijnlijk direct na 7 januari. Grevensteijn schrijft later aan de Staten: ’want hij wierde sodanig van tijd tot tijd door de Magistraten van Hasselt behandeld, dat hij niet in staat was zijn brood voor zijn vrouw en kinderen te winnen, dewijl men zonder wettige redenen hem maar bij de kop vatte, in een criminele gevangenis liet zetten, en daar verscheidene weken agter een, even als of hij aan een groote misdaad schuldig was, laten verblijven’. Grevensteijn ziet geen enkele juridische reden voor deze maatregel; integendeel het is pure rancune van de magistraat of een van de leden. Waarschijnlijk doelt Grevensteijn op Exalto D’Almaras, de secretaris die steeds in de documenten opduikt en ook het overleg met Sandberg verzorgt. Waarschijnlijk heeft Dulcken in het raadhuis, op de bovenste verdieping in een kleine cel op zolder, gevangen gezeten. Het raam in die cel kijkt uit op de Nieuwstraat, waar vijftig meter verderop zijn huis staat.
Op 11 januari reist Exalto D’Almaras naar Zwolle om met Sandberg over de detentie van Dulcken. Waarschijnlijk adviseert Sandberg hem om Dulcken vrij te laten omdat de magistraat juridisch niet sterk staat. Hoelang hij gevangen gezeten heeft is niet precies vast te stellen. Grevensteijn spreekt over enkele weken detentie.
Wanneer de burgemeester hem midden januari 1772 vrijlaat, krijgt hij een rekening mee met ‘de kosten van detentie waarvan hij niet eens een specificatie mag genieten’, aldus Grevensteijn die daarover zijn gal spuugt bij de gedeputeerden in Zwolle.
Waarschijnlijk heeft Dulcken in maart 1772 zijn schuld van 250 gulden afgelost, hetzij door geld te geven, hetzij dat een van zijn klavecimbels door de magistraat wordt verkocht. Maar het proces loopt door want vervolgens komt Amthuijzen met de eis dat ook de lening voor de turf, het slagtbeest en de werkzaamheden van het ruitenzetten betaald wordt. Op 7 juli schrijft Grevensteijn een verweerschrift waarin hij aangeeft dat de rekening voor de ruiten nieuw is. Er is nooit eerder een rekening aan Dulcken gegeven en ook nooit een aanmaning. En van de betalingen voor turf en het koebeest bestaat geen schriftelijk bewijs. Dus panding is onrechtvaardig. En zo sleept de zaak verder. Ook de zaak over de twee horloges van De Wilde loopt door.
In de loop van 1772 en 1773 ontmoeten de advocaten in beide zaken elkaar haast wekelijks op het raadhuis. Het gaat om het ontbreken van schriftelijke bewijzen waar een handtekening van Dulcken op staat. Wanneer er wel een handtekening staat, moet Dulcken komen om te bevestigen dat het inderdaad zijn handtekening is. Het gaat om kopieën en het ontbreken van kopieën van uitspraken van de rechtbank. Het gaat om het eisen van panding en het geven van pandwering. Een juridisch gevecht dat totaal vastloopt. Daarbij komt nog dat Dulcken vaak afwezig is en zijn advocaten niet willen aangeven waar hij zich ophoudt. In juli 1773 zit De Wilde in geldproblemen en wordt onder curatele gesteld. Zijn broer Frans de Wilde uit Amsterdam (VOC-secretaris) treedt als curator op.

De gevangenis op de zolder van het raadhuis.
Overeenstemming met de krijgsraad
In 6 april 1772 geven de gedeputeerden van de Staten van Overijssel aan dat Dulcken met een bewijs moet komen dat het stukje grond in de achtertuin van hem is. Of hij moet onder ede verklaren dat hij dat bewijs niet heeft en ook niet is kwijtgeraakt. Grevensteijn brengt daartegen in dat ook de krijgsraad met bewijs zou kunnen komen dat het stukje grond hem toebehoort. Cornet Guldener, lid van de krijgsraad, is in 1755 door de heren Van Hecht benoemd als zaakgelastigde die de verkoop van de panden moet regelen. Hij heeft het pand aan de krijgsraad verkocht en is ook verantwoordelijk voor het pand dat Dulcken later heeft gekocht.
Op 7 juli is er weer contact tussen de advocaten van de krijgsraad en de advocaten van Dulcken. Grevensteijn stelt voor om verdere procedures via de Staten en de magistraat vanwege de kosten te stoppen en alleen als advocaten verder te praten.
Ieder stemt daarmee in en men komt tot de afspraak om de kosten te delen. Op 24 november verschijnt Dulcken op de vergadering van de krijgsraad. ‘Verzoekende dat het hangende dispuut tussen hem ter éénen en de edele Manhaftige Krijgsraad ter andere zijde mocht uijt de weg geruimt, presenterende boven de kosten van zijn kant tot goedmaking van de kosten van de zijde van de Krijgsraad te betalen een somma van honderd tweeëndertig gulden.’ De schutting mag blijven staan zoals de krijgsraad deze heeft neergezet. Op 18 december vraagt Dulcken om veertien dagen uitstel van betaling, maar de krijgsraad is het daar niet mee eens en wil betaling binnen 24 uur.
Op oudejaarsdag 1772 brengt Dulcken zijn 132 gulden bij de magistraat waarop de roededrager met dit geld naar kolonel Bode van de krijgsraad gaat en het hem wil overhandigen. Deze wil het geld niet aanpakken en de roedendrager neemt het weer mee naar Exalto D’Almeras, die het nog jarenlang in zijn bezit houdt. Voor de krijgsraad is het dan nog niet afgelopen. In november 1773 dient advocaat Waterham nog een rekening in van 240, — die de krijgsraad moet betalen. De krijgsraad zoekt daar borgen voor en begint in januari 1774 met het aflossen van deze schuld.
Kwaadaardige laster II
Ondertussen gaat het proces vanwege kwaadaardige laster tegen De Wilde door. Dulcken vraagt om een kopie van de ondervraging van Guldener door de commandant van het garnizoen, maar krijgt die niet. Telkens worden er nota’s heen en weer gestuurd, zonder dat men verder komt. In december 1772 komt advocaat Sandberg met een verweerschrift waarin hij aangeeft dat Dulcken beter kan stoppen met zijn actie omdat het toch niets oplevert. Hij waarschuwt voor de hoge proceskosten. Wel is bij zijn verhaal eindelijk een verslag van de ondervraging van Guldener gevoegd. Maar Guldener, lid van het garnizoen en van de krijgsraad, wordt uit de wind gehouden. De magistraat stelt vast dat er maar tegen één persoon een klacht is ingediend, nl. tegen De Wilde, en dat daar geen ander persoon ingeschoven kan worden.
Op 8 juni 1773 komt Sandberg met zijn laatste verweerschrift. Een lang verhaal met veel Latijnse wetsteksten. Hij komt tot de conclusie dat De Wilde misschien wel moreel verkeerd heeft gehandeld, maar dat hij juridisch niets verkeerd gedaan heeft. Wanneer je namelijk zegt dat iets waar is, tenzij degene waarvan je het hebt gehoord een leugenaar is, dan is deze uitspaak op zichzelf waar. De Wilde kan dus niet vervolgd worden voor wat hij heeft gezegd; de klacht is niet ontvankelijk. Sandberg concludeert dat Dulcken de proceskosten moet betalen en dat hij zelfs aangeklaagd kan worden, omdat hij De Wilde een leugenaar heeft genoemd.
Dulcken en zijn advocaat Grevensteijn gaan daartegen in beroep. In november 1773 eisen ze een kopie van alle stukken die op de zaak betrekking hebben en dat twee onafhankelijke advocaten op deze zaak gezet worden.
Daarna wordt het stil, of er ontbreken documenten. Pas in 1776 wordt er in documenten weer over de zaak gesproken, maar daarover later. Al die tijd zit Dulcken in de onzekerheid over wat er met zijn klacht zal gebeuren.

Gereformeerd / Hervormde Kerk te Hasselt
Foundation Musick's Monument