Multimedia Art Productions

Pieter Codde also known as Petrus Codde (27 November 1648, in Amsterdam – 18 December 1710, in Utrecht) was apostolic vicar of the Catholic Church's Vicariate Apostolic of Batavia, also known as the Dutch Mission, from 1688 to 1702.He served as the Old Catholic Archbishop of Utrecht from 1688 to 1710.

Codde studied in Leuven, taught by the Oratorians, and was ordained priest in 1672. In 1688 he was named Vicar Apostolic for the nation, although the Jesuits suspected and accused him of Jansenist sympathies. He had to justify himself to Rome against these accusations in 1694 and, after being charged with them a second time, in 1697. On the second occasion he went to Rome in person, but his
apologia did not satisfy his critics and he was finally suspended from his office in 1702 by Pope Clement XI (with his definitive discharge from the post coming in 1704, thanks to the intervention of Giovanni Battista Bussi).

Petrus Codde (Amsterdam, 27 november 1648 - Utrecht, 18 december 1710) was apostolisch vicaris van de Hollandse Zending (in de rooms-katholieke traditie) van 1688 tot 1702 en aartsbisschop van Utrecht (in de oudkatholieke traditie) van 1695 tot 1705/1710.
Petrus Codde studeerde in Leuven, trad in bij de oratorianen en werd in 1672 tot priester gewijd. In 1688 werd hij benoemd tot apostolisch vicaris en titulair aartsbisschop van Sebastea, hoewel hij verdacht en door de jezuïeten beschuldigd werd van jansenistische sympathieën, waarvoor hij zich in 1694 tegenover Rome moest rechtvaardigen. Na een tweede aanklacht in 1697 ging hij zelf naar Rome, waar zijn verdediging echter niet bevredigde. Dit leidde uiteindelijk tot zijn schorsing in 1702 door paus Clemens XI, en zijn definitieve ontslag uit het ambt twee jaar later. Deze toedracht bracht een tweespalt teweeg onder de geestelijkheid in de Republiek tussen anti-jansenisten en meer gematigden. Deze onenigheid zou uiteindelijk leiden tot het Utrechts schisma en het ontstaan van de Oudkatholieke Kerk in 1723.

Schermafbeelding 2021-12-14 om 16.23.43 kopie



De Oud Katholieke Kerk te Amersfoort bezit 5 Hendrick Bloemaert schilderijen.

Kunstcollecie OKK Amersfoort

Frederick Bloemaert treedt als gemachtigde van Petrus Codde op in 1676 (zie hieronder)

Hendrick Bloemaert was the oldest son of Abraham Bloemaert. His brothers Cornelis and Adriaen were also painters. In 1626 he was registered in Rome, but by 1631 he was back in Utrecht, where he registered in the Utrecht Guild of St. Luke and married Margaretha van der Eem, the daughter of a lawyer

Frederik Bloemaert (c. 1614 – 11 June 1690) was a Dutch printmaker and draftsman.
Bloemaert was born and died in Utrecht. He was th youngest son of Abraham Bloemaert and distinguished himself as an engraver. He learned the art from his father, and was chiefly occupied in engraving after his designs. His principal work was a drawing-book, containing 173 plates, engraved from the designs of his father. He also executed a few plates entirely with the graver. His prints are sometimes signed A. Bloem. inv. F. B. filius fecit, and sometimes F. B.

De stamvader van de familie Bloemaert is Cornelis Bloemaert I (ca. 1540-1593). Hij was architect, beeldhouwer en leraar en hij gaf les aan onder andere Hendrick de Keyser. Zijn zoon Abraham Bloemaert (1564-1651) werd bekend als een van de belangrijkste Utrechtse schilders van de eerste helft van de zeventiende eeuw. Abraham had vier zonen die hem opvolgden als kunstenaar en bij hem in de leer waren. Zijn oudste zoon Hendrick Bloemaert (1601/1602-1672) was schilder en dichter, zijn tweede zoon Cornelis Bloemaert II (1603-1684) maakte vooral gravures, zijn derde zoon Adriaen Bloemaert (ca. 1609-1666) was schilder, tekenaar en mogelijk ook graveur en zijn vierde zoon Frederick Bloemaert (ca. 1616-1690) werkte als graveur, waarbij zijn meeste werken afgeleid zijn van zijn vaders werken.


1920px-Portret_van_Petrus_Codde,_aartsbisschop_van_Utrecht,_RP-P-OB-26.864




Pieter& Marten Codde

START onderzoek schilderijen-2

acte
amersfoort

eemland



Artikel
AUTEUR
J.A. Alberdingk Thijm

PLAATSEN
over Amsterdam

DATUMS
21 januari 1873

J.A. Alberdingk Thijm maakt een fout in zijn betoog van 1873:
DE SCHILDER PIETER CODDE IS NIET DE VADER VAN PETRUS CODDE!!!
Het artikel geeft wel uitgebreide informatie over Petrus Codde

Naar mijne meening moet hij de bovenaangeduide vader van den Aartsbisschop, en de zoon zijn van Marten Codde, een ‘eerentfest en konstlievendt’ man, die nog in 1641, toen hij sestig jaren telde, als het hoofd van het geslacht werd aangemerkt





De Codden.

Men kan niet goed, in 't meervoud, de Coddens schrijven. Jongens onderstelt een enkelvoud jongen, meisjens een enkelvoud meisjen. De woorden die op een doffe (of stomme) e uitgaan, maken, in 't Nederlandsch, hun meervoud in s, niet in n. Zoo wordt gedachte niet gedachtens, bedde niet beddens. En toch zegt men in 't dagelijksch leven gaarne de De-Maeres, de Hudde-s, de Codde-s. Van de laatsten was er, tot voor eenigen tijd, maar éen, die zich een naam had gemaakt; het was de apostolische Vikaris Petrus Codde, Pieterszoon, Aartsbisschop van Sebaste 1, - en, naar het oordeel van bevoegde geschiedvorschers, de vader der zoogenaamde Jansenistische scheuring hier te lande. Ik zal mij heden met de geschiedenis van dezen ongelukkigen Praelaat, die hare beteekenis voor de geheele Kerk van ons Westen gehad heeft, niet verder ophouden, dan noodig is ter toelichting der biografie van een paar andere vertegenwoordigers van het geslacht.
Het waren ‘deftige Amsterdammers’: derhalve (zoû Jac. v. Lennep zeggen) stamden zij uit het Huis Boelensz. En inderdaad, zij deden het; zie hier hoe: Jan Willemsz. Boel had, zoo als ieder Amsterdammer weet (ook al spruit hij slechts uit de branche, die eigenlijk Loen heette en den onthoofden zilveren wapenleeuw voerde) drie zonen: Annas, Jacob en Claes Boel. Jacob, meer bekend onder den naam van Jacob Jan-Willemsen Duyvel, die in 1420 Burgemeester was, had een zoon Willem, zijn broeder Claes, Burgemeester 10 jaar na hem, had een kleindochter, met name Grietgen Claes-Boelens, welk Grietgen met haren gemelden oom-à-la-mode-de-Bretagne een wettig huwelijk aanging: hieruit werd geboren Claes Boelens, de vader van Nelletgen Boelens, ook Neel genoemd, die trouwde met Pieter Codde. Pieter, die óok een Pieterszoon was, leefde dus, trouwde, stierf, en werd in de Oude Kerk begraven, den 5n Juni 1565, aan de zijde van zijne vrouw Nel of Neel, die hem reeds den 29n Sept. 1558 was voorgegaan. Hunne kinderen deden aanzienlijke huwelijken. Geertruyd Codde trouwde Burgemeester Jacob Bas, Jacobszoon, wiens zoon Dirck Bas, Ridder, op gevorderden leeftijd afgebeeld staat, met zijn mooye tweede vrouw Grietgen Snoeck, en hunne kinderen op dat allerliefste breede familiestuk van Sandvoort in het Trippenhuis (No 302). Het 2e kind, de oudste zoon van Pieter en Nelletgen 1 heette Maerten; en voortaan zouden de stamhouders telkens om en om Maerten en Pieter heeten. Hij trouwde met Anna Goossensdr Recalff-Bardesius, eene alliantie, die de vrouw van Henrick van Zeller, als hieruit afstammende, tot zulk een hooge eer werd aangerekend (D.W. IX, 137). Maerten overleefde zijn vader maar weinige maanden, en ook Anna stierf reeds in den zomer van 1569. Het volgende kind Codde schijnt Jacob te hebben geheeten; het laatst kwam Cornelis, die alweêr een voornaam amsterdamsch huwlijk deed, door Grietgen de Vlamingh van Outshoorn tot zijn vrouw te nemen, wier moeder een Barones van Scherpenzeel was.
Een Duitscher, die met goed gevolg de hollandsche kunstgeschiedenis beoefent, de Heer W. Bode, heeft in een boek over Frans Hals en zijne school met grooten lof van een amsterdamschen schilder Pieter Codde gesproken 2, die noodzakelijk in onze genealogie een plaats vindt.
Naar mijne meening moet hij de bovenaangeduide vader van den Aartsbisschop, en de zoon zijn van Marten Codde, een ‘eerentfest en konstlievendt’ man, die nog in 1641, toen hij sestig jaren telde, als het hoofd van het geslacht werd aangemerkt 3. Het ligt voor de hand, dat Marten, toen zijn zoon Pieter aanleg voor de schilderkunst en neiging voor het figuurschilderen toonde, hem naar Haarlem zond, ‘Pictura's Hooge-schole’, en bij voorkeur in de leer deed bij Frans Hals, die tot de zelfde Kerk behoorde (al leefde hij hare voorschriften niet al te strengelijk na!), en waardoor de jongeling met andere katholieke haarlemsche kunstenaars, in de eerste plaats met de De Brays, de Mathams, en kunstbevorderaars als de Berensteyns 1 in aanraking kon komen.
Ziehier de werken, welke de Heer Bode, aan onzen Pieter Codde toeschrijft. Men zal daarbij zien, dát Pieter zijne modellen blijkbaar zoowel met Ter Burgh uit de deftigste standen ontleende, als met Jan Steen uit den kring van boeren en burgers:

1.Een stuk getiteld Muzijk en kaartspel, in de vorige Eeuw op eene veiling met f 70. - betaald;

2.Een gezelschap van 15 Heeren en Dames in rijke kostumen, tot gezellig onderhoud bij spel en dans vereenigd, in het kabinet van den Heer Gsel, te Weenen; het is gedagteekend 1638 en wordt boven de schilderijen van Antony Palamedes geprezen;

3.Een gezelschap soldaten, die met dobbelsteenen spelen, wellicht van 1652;

4.Twee groote gezelschapstukken, te Berlijn aanwezig;

5.Een Heer en Dame in gesprek, te Hamburg;

6.Een Dame aan haar kaptafel, kabinet Goldsmith, 's Gravenhage;

7.Een do te Berlijn;

8.‘Moeskoppende Soldaten’, in de galerij te Dresden (No 1486); de 4 laatste ten name gesteld van A. Palamedes of Jan le Ducq en A. Duc.

9.Roovers, die reizigers uitplunderen, in de galerij te Brunswijk (No 592), op naam van C. Bega;

10.Eene kopie hiervan in 't kabinet Lichtenstein te Weenen;

11.Eene waardin en een soldaat, in het Belvedere te Weenen (VI, No 19);

12.Een gezelschap aan de maaltijd, te Schleissheim (No 358);

13.Een muziceerend Gezelschap, bij den Vorst van Lichtenstein.

De beide laatste stukken zijn toegeschreven aan Gonzales Coques en Pieter de Grebber. Behalve in het genre der gezelschapsstukken, heeft Pieter Codde zich ook verdienstelijk bewogen, in dat der gewijde geschiedenis; althands de Heer Kramm vermeldt van hem eene Aankondiging der Geboorte aan de herders en een Maria-Boodfchap. De vroegere stukken van Pieter Codde kenmerken zich door eene zorgvuldige behandeling en een helder, koel koloriet; de latere zijn van een schier monochrome, graauwe kleur, foms in een warmen kleurigen toon afgewerkt. (Zie Kunstkronijk.)
Men mag onderstellen, als Pieter Codde zulk een knap schilder was, dat zijn ‘calverstraetsche’ buurman Mr Jan de Wit, de Advokaat (hooger in eene aanteekening reeds genoemd), zich ook nimmer berouwd zal hebben hem zijne dochter Catharina tot vrouw te hebben gegeven 1. Dat deze Pieter Codde wel werklijk de fchilder is geweest, wordt niet alleen door de jaartallen 1631-1653, waarbinnen de schilderijen zich bewegen, gesteund, maar ook door de bizonderheid, dat zijne twee dochters Claesgen en Maria huwden in de kunstenaarsfamiliën van Molenaer en Bloemaert, terwijl zijne kleindochter Catharina Bloemert, die zich aanvanklijk aan den geestelijken staat gewijd had, zelfs dermate van artistieken zin bevangen werd, dat zij, met een vonnis, ontleend aan de rolle der ‘huwelijcx-crakeelen’, in de hand, hare ouders dwong haar te laten trouwen met den bekenden talentvollen zaalschilder Gerard Rademaker, door wien haar Oom, de Aartsbisschop van Sebaste, haar les in het teekenen had laten geven 2. Dit huwelijk had plaats in Aug. 1704. Het geval is opmerklijk genoeg, om er een oogenblik bij stil te staan.
De eigenlijke reden, waarom haar vader Frederik Bloemert, toen Gerrit en Catharina voor ‘Commiffariffen’ verschenen, zich ‘excuseerde’ van te ‘consenteeren’, is mij niet bekend. In April vleide Rademaker zich nog, dat de vader zoû toegeven. 't Blijkt uit de voorloopige inschrijving op het Puiregister, waarschijnlijk door hem bezorgd. De Heer Izaek Walraven, een deftig man en leerling van Rademaker, prijst den aard en inborst van den jongen kunstenaar niet minder dan zijne salenten 3. Had de vader dan bezwaar, om dat Gerrit een timmermanszoon was? De timmerman was op de ‘Uytregse straet’’ zijn buurman geweest en verbeterde zich naar de ‘Prinsse graft’. Was het, om dat Trijn de klopjenskap op den tuin had gehangen? Het pleitte niet voor hare standvastigheid; maar zij maakte van eene onbetwistbare vrijheid gebruik. Wellicht zat het bezwaar der ouders dieper. Toen Petrus Codde, in den zomer van het jaar 1700, vergezeld door de Heeren Jacobus Catz, Martinus de Swaen en nog een paar andere geestelijken naar Rome op reis ging, had hij ook den 28-jarigen schilder Gerrit Rademaker in zijn gevolg 1. Deze, hoewel om geheel andere redenen naar Rome verlangende, dan om het leerstuk der Genade en het geschilpunt van de nederlandsche kerkjurisdiktie nader toegelicht en afgehandeld te zien, was toch huisgenoot van den Praelaat; en toen den 7n Mei 1702 ‘Petrus Coddaeus, Aertsch-Bisschop van Sebaste’, door het apostoliesch gezach van alle oefening en bediening van het Hollandsch Stedehouderschap was vervallen verklaard 2 en dit hem den 22n Juli werd aangezegd, zal de minnaar van zijn nicht dit niet zonder aandoening vernomen hebben. Zoo iets blijkt dan ook ten volle uit de rol, die de kunstenaar thands op zich nam. Men vond het te Rome niet geraden den Praelaat vrijheid te geven naar Nederland te-rug te keeren, daar dit de uitoefening der bediening van den inmiddels aangestelden Pro-vikaris Dirck de Cock, die met alle gezach (buiten het Bisschoppelijke) bekleed was, gewis ten zeerste bemoeilijken zoû. Waarschijnlijk heeft men ook geene paspoorten willen verleenen aan een der Priesters, die den afgezetten Kerkvoogd vergezelden. Toen liet deze zijn oog vallen op Gerard Rademaker, om in Holland uit te werken, dat men hem uit Italië
opvorderde 3. De kunstenaar trok naar het vaderland, en kwam natuurlijk allereerst ten huize van de Bloemaerts of Blommerts (gelijk zij in de wandeling genoemd werden). Maria Codde, de moeder van Gerards leerling en geliefde, trok zich het gedwongen te-rug-blijven van haren broeder, den Bisschop, ten zeerste aan: te meer daar men in Hol-land, omtrent het lot dat den Bisschop in Rome te wachten stond, allerlei onrustbarende geruchten verspreid had. Niet alleen werd in al zijn vreeselijkheid de Gallileï-kerker afgeschilderd, waarin de Bisschop heette te verzuchten; maar men beweerde zelfs dat hij, aan de Inquizitie overgeleverd, ter dood zoû veroordeeld, ja verbrand worden 1. Dat Gerard Rademaker, om de oogmerken van zijn patroon en aanstaanden oom te dienen, voedsel aan deze dwaze geruchten gegeven heeft, althands ze niet heeft tegengesproken, komt waarschijnlijk voor, als men ziet wat volgt op zijn bezoek van de familie Bloemert.
De moeder, eene ruim festigjarige vrouw, maakte zich aanstonds op en verzocht gehoor bij Burgemeesteren. Met al het gezach, dat zij aan hare Amsterdamsch-patricische afkomst, aan hare fijne opvoeding en aan hare betrekking tot haren broeder den Bisschop, zoowel als tot haren neef, Burgemeester Dirck Bas, ontleende 2, ontwikkelde zij het oodmoedig verzoek, dat Burgemeesteren hunnen medeburger en de Staten van Holland hunnen ingezeten uit Rome zouden opeischen. Ja, het kwam zoo ver, dat zij in Burgemeesterskamer op de kniën viel, en onder het storten van een vloed van tranen 3 aanhield op de tusschenkomst der Stads- en Landsregeering, ter bevrijding van haren broeder. Het gevolg hiervan was, dat haar man Frederik Bloemert en de Pro-vikaris Theodorus de Cock in den aanvang des jaars 1703 naar den Haag voor de vergadering der Staten geroepen werden, en hun hier opgedragen te zorgen, dat de Aartsbisschop binnen drie maanden vrij en vrank in het vaderland was te-rug-gekeerd. Te Rome zag men het gevaar des oogenbliks wel in. Hugo van Heussen, de bekende kanunnik en geleerde, had vroeger al aan den Quesnelliaan Gerberon geschreven: ‘Il est bon de faire intimider le dit Blondus (den Internuntius te Brussel), en te doen gevoelen, dat, si M. Godefroi (Petrus Codde) ne revient point au plutôt, les Etats iront plus avant;... [qu'on leur] donnera occasion à chasser tous les moines,... et à fermer toutes les églises 1.’ Iets dergelijks duchtte Theodorus de Cock inderdaad, en teekende voor Rome een tafereel van de gevaren die de katholieke zaak hier te lande en de geheele zending over het hoofd hingen. Van het befluit, door Paus Clemens den XIn daarop onmiddelijk genomen, gewaagt de Opperpriester volgenderwijs in zijn brief aan de Katholieken van Holland, dd. 7 April 1703: ‘Wat aanbelangt den bovengemelden Aartsbisschop van Sebaste, - daar wij door veler herhaalde goede diensten en zelfs ook dóor de ernstige gebeden van onzen beminden Zoon Theodorus de Cock - aangezocht werden, hem macht te geven weder naar Holland te vertrekken, terwijl door allen verzekerd werd, dat zulks ook bij de waereldlijke overheid, wakende voor de herstelling, gelijk zij zeiden, van hunnen burger in zijn vaderland, hartelijk gewenscht werd, hebben wij, omtrent twee maanden geleden, veel meer uit apostolische goedertierenheid, dan volgends de gestrenge censuur der kerkelijke wetten, aan hem uit eigen beweging, niet alleen verlof verleend, maar zelfs bevel gegeven tot vertrekken.’ 2
Men weet, hoe de zaak zich verder heeft ingewikkeld en dat Petrus Codde zich nooit meer aan het gezach van Rome onderworpen heeft. Kan het nu ook zijn, dat Frederick Bloemert, toen de scheuring blijkbaar werd, de zaak van zijn zwager niet meer heeft voorgestaan en den gunsteling van dezen, Gerrit Rademaker, niet tot schoonzoon begeerd heeft?
Hoe 't zij - ik heb het niet kwalijk gekozen gerekend deze kleine huishoudelijke epizode uit onze kerkgeschiedenis hier in herinnering te brengen. Lang heeft het gewezene klopjen het fluweelen juk van den echten staat niet gedragen; haar man ontviel haar na 6 jaren huwelijks.
Maar klimmen wij weder op tot den grootvader van haar moeder, Marten Pietersz Codde, die in de helft der XVIIe Eeuw als het hoofd der familie geëerd werd. Hij was de voogd van zijne nicht Geertruyd Zegers, die met Hendrick van Zeller getrouwd is geweest, en peetoom van zekeren Pieter Adriaenszoon Codde, met wien wij ons thands eenige oogenblikken gaan bezig houden. Een ander gereed middel om dezen Pieter eene plaats op de geslachtlijst der Codden in te ruimen, is mij niet bekend, dan aan Marten, behalve zijne bekende broeders Roelof en Jacob, een derden broeder Adriaen toe te schrijven, van wien onze tegenwoordige Pieter een zoon moet geweest zijn. Een feit is het, dat een amsterdamsche dichter, zich noemende Pieter Az. Codde, een zijner werken aan zijn oom en doopgetuige Marten opdraagt, en dezen vereert als het sestigjarig hoofd der familie.
Twee andere oplossingen zijn echter nog mogelijk. De door ons genoemde Marten Codde had een vollen neef, die insgelijks Marten of Maerten heette en een Jacob Codde tot vader had. Op de MS.-genealogie van Boelensz, in mijne verzameling, wordt deze Maerten vermeld als eenig kind en ongehuwd gestorven. De laatste hoedanigheid maakt het bedenkelijk, of een neef in hem wel den familiepatriarch zoû vereerd hebben; de eerste ontzet hem van neveux. Wij blijven dus geneigd Pieter Adriaens voor een oomzegger niet van Maerten Jacobs, maar van Marten Pieters te houden. De tweede oplossing zoû deze zijn: dat Pieter Adriaensz geen zoon was van eenen Adriaen Codde, maar van Adriaen vander Cruycen, echtgenoot van Anna Codde (Martens zuster), welk echtpaar inderdaad een zoon heeft gehad, die Pieter heette. Immers het moet, helaas, erkend worden, dat bij de groote schaarschte van familienamen, in de helft der XVIIe Eeuw (de wanhoop der gencalogen), sommige kindergroepen nog liefhebberij hadden, om den vaderlijken naam, voor den moederlijken vaarwel te zeggen. Dit komt mij echter met de nakomelingen van Adriaen vander Cruycen wel eenigszins onwaarschijnlijk voor: om dat hoe oud en deftig de naam van Codde ook was, de familie vander Cruycen, als een Jerusalemsridder (gelijk men de beêvaartgangers naar 't Heilige Land noemde) onder hare spruiten tellende, zeker op haren toenaam niet minder prijs zal gesteld hebben dan de Codden op den hunne. Daar komt ook bij, dat Pieter Adriaensz zich tegenover zijn oom wel eenigs-zins als een ouderloos persoon gedraagt, en mij van de vroege dood van Adriaen v.d. Cruycen niets bekend is.
Hoe 't zij: wij gaan op 's mans werk in, zonder ons verder over zijne naaste afkomst te bekreunen.
Geen beter middel om te leeren, hoe groot de verdiensten van Vondel voor ons tooneel zijn dan zijn werk te vergelijken met dat zijner tijdgenoten. Hoe zwak steken zelfs Hoofts Baeto en Geeraerdt van Velsen af bij het werk des dichters van den Palamedes en den Gijsbreght. En indien hij zich tot het blijspel had willen begeven, indien hij 't niet in het vrolijke genre bij De Leeuwendalers, in het koddige bij eenige liedtjens had willen laten, hoe dankbaar zouden wij geweest zijn aan den levensvollen auteur, die ons de onaangenaamheid zoû gespaard hebben, na dat we Warenar genoemd hadden, de genen, welke Langendijk te kleurloos vinden, naar den baldadigen Breêroô of naar de kluchten van Huygens en Jan Vos te verwijzen. Wat is, als men de liederen er uit neemt, Hoofts Granida, en welke draaglijke stukken, te midden van het heirleger tooneelprodukten, blijven er over, als men, behalve Vondel, nóg iets dramatiesch begeert? En toch heeft Jan Serwouters nog meer talent dan Pieter Codde: want is een gedrukt gedicht van een Amsterdammer uit de eerste helft der XVIIe Eeuw mij altijd het bespreken waard, - lof heb ik voor het werk van Pieter Codde maar zeer weinig, en had Witsen Geysbeek de tooneelstukken, die hij beschimpt, gelezen, of ook maar gezien en van zijn oordeel blijk gegeven, vermoedelijk zoû ik over Coddes werk het stilzwijgen bewaren.
Toch is het niet geheel onbelangrijk uit het stuk ‘Herdoopers Aenslagh op Amsterdam’ en de ‘toe-eygheningh’ er van door Pieter aan zijn ‘wel-gonstigen Oom’ Marten Codde, bovengenoemd, op te maken, dat er in de borst der kinderen van de oud-amsterdamsche familiën (ook na hunne vernedering en buiten-de-wet-stelling) een levendig kommunaal bewustzijn bewaard bleef. Zie hier in welke bewoordingen Pieter Codde zijne imitatie van den Gijsbreght, want dat is het 4 jaar later verschijnend ‘Treur-spel’ eigenlijk, aan het hoofd der familie opdraagt.






acte-2
IMG_5115
Codde%2C%20Schram%2C%20Registratie%2C%204-7-1714%2C%20e3555929-ea9b-d22b-2a2d-d639454e05f0 kopie

Codde%2C%20Schram%2C%20Registratie%2C%204-7-1714%2C%2095a3ff61-a982-d9a9-ae19-411d6398ab4f kopie
marten